Muizehart

muisHet hartje van een spitsmuis trilt met meer dan 550 slagen per minuut. Het diertje, schichtig in ons oog, scharrelt tussen de ritselende blaadjes op de bodem, maakt zijn nestje, plant zich voort, eet, en op een gegeven moment stopt het minuscule mechanisme. Het valt stil en het leven van het diertje is voorbij. Het kleine lichaampje blijft roerloos achter onder een struik of andere verborgen plek, als een afgelegd omhulsel, niet langer nodig en alle kleine inspanningen lijken als nooit gedaan.

Zoogdieren met een snelle hartslag leven korter dan zoogdieren met een trage hartslag. Een olifant met een hartslag van zo’n veertig slagen per minuut leeft langer dan de muis. Een blauwe vinvis heeft een hart zo groot als een Volkswagen Kever. Deze 450 kilo wegende spierklomp klopt waarschijnlijk tussen de drie en acht keer per minuut om 6000 kilo bloed in beweging te houden.
Het is niet alleen grootte dat bepalend is voor het aantal hartslagen in een leven. Ook energieverbruik speelt een rol. Wie het wil weten, raadpleegt  http://www.kennislink.nl/publicaties/de-vraag-van-het-hart-klopt-het-of-niet .

Klein of groot, het aantal hartslagen dat het leven op gang houdt, is eindig en daarmee het daaraan verbonden leven.
“Je hebt je adem maar in je neus” placht mijn tante te zeggen wanneer ze de kwetsbaarheid en de eindigheid van een mens wilde benadrukken.
Trek je plannen, koester je verwachtingen, maar leef alsof elke dag je laatste is.
En laten we wel zijn, in het licht van de eeuwigheid is je hele leven (een ogenblik tussen twee eeuwigheden) niet meer dan dat ene moment waarin wij denken dat het hele universum om ons draait en dat na ons de wereld nooit meer dezelfde zal zijn.

The cloud-capp’d towers
The gorgeous palaces
The solemn temples, the great globe itself
Yea, all which it inherit shall dissolve
And, like this insubstantial pageant faded
Leave not a rack behind
We are such stuff as dreams are made on
And our little life
is rounded with a sleep

Torens die wolkenhoog oprijzen
En schitt’rende paleizen,
Heilige tempels, ja de ganse wereldkloot
Met al zijn schepsels valt uiteen, gaat dood
Verdwijnt, als dit stuk nutteloze praal
Geen spaan blijft heel van dit heelal
Van dromenstof zijn wij geweven
En heel even wekt het leven
ons uit eeuwige slaap

(W. Shakespeare, The Tempest IV – 152-158)

Mijn lezer, wat weet je nog van je overgrootvader? Van je oudtante? Waren zij in hun tijd niet net zo overtuigd van hun waarde en onmisbaarheid? Alle personen in ons voorgeslacht, hebben zij niet, als wij, gepoogd hun leven tot iets moois te maken? Hadden zij niet ook hun zorgen, moeiten, arbeid, relaties, geluk, onzekerheden en verwachtingen? Hoopten ook zij niet op voorspoed voor hun naasten en op een kleine daad die voort zou leven, lang nadat zij er niet meer zouden zijn? Een moment dat nooit zou worden vergeten? Het idee, dat hun leven niet vergeefs was? Dat ze iets blijvende, iets goeds zouden nalaten?

Uiteindelijk hebben ze niet meer gedaan dan het doorgeven van hun genen, een deel van hun leven aan hun nageslacht. En soms ook dat niet.
De daden die wij groots achten en waarvan wij vinden dat deze belangrijk, onvergetelijk zijn, blijken uiteindelijk niet meer te zijn dan de zucht uit je neus. Kleinigheden soms komen tot ons uit het verleden. Een opdracht, geschreven voorin een boek (Voor Kees, van -, ter herinnering, -datum-), een briefje in een Bijbel, een servet met initialen, een gegraveerde tabaksdoos. Een heel leven teruggebracht tot een flodderig papiertje of kapot zakhorloge. “Dit was nog van je overgrootmoeder. ” Wie was ze, wat dacht ze?relogio-remontoir-usado-g-92293b-92293-229

Maak je geen illusies, ons vergaat het alzo. Het is niet erg dat mijn levensklokje uiteindelijk stilvalt. Het is de ‘weg van alle vlees’. Erg zou het zijn als mijn uurwerkje nooit de goede tijd had aangewezen, wat zou dat een zinloos bestaan geweest zijn. Ik hoop dat ik af en toe de juiste tijd heb gemeld, dat mijn leven niet vergeefs was.
Hoop op herinnering koester ik nauwelijks. Ik weet dat ik blijf voortleven zolang de mensen die mij kenden het leven behouden. Daarna nog een tijdje ‘van horen zeggen’. In een gunstig geval nog wat nagelaten geschriften. Het enige van waarde is wanneer ik voor wat mensen die ik ontmoette, iets waardevols heb kunnen betekenen. Een toegestoken hand, een opbeurend woord. Dat het aantal van die meer zal zijn dan de keren dat ik anderen hinderde, lastig viel of teleurstelde.

Die dag komt, onze plannen en verwachtingen ten spijt. Zoals een muis scharrelen we voort, onwetend wat wanneer zal zijn.
‘Er zal een boek zijn, dat gij niet ten eind zult lezen,
Er zal een blad zijn, dat ge niet meer om zult slaan.
Er zal een dag zijn, dat, vergeten,
de slinger van uw uurwerk stil zal staan.
Er zal een uur zijn, dat ge niet meer zult herdenken,
Een avond, die ge niet ziet ondergaan…..’

“Daar houden de bozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht;
Daar zijn de gebondenen te zamen in rust; zij horen de stem des drijvers niet.
De kleine en de grote is daar; en de knecht vrij van zijn heer.” (Job 3:17-19)

Wat een verademing.
In onze familie werd vaak hetzelfde lied aangeheven bij rouwdiensten. Het gaf troost, maar ook verwachting. Alle inspanningen, alle moeiten, alle tranen om het leven, afgewist, opgedroogd. Wat geeft het of we worden herinnerd. Zijn we zelf tevreden over ons leven?

Ik voel de winden Gods vandaag;
Vandaag hijs ik het zeil.
Gehavend is ’t en zwaar van schuim,
Maar ‘k hijs ’t en hoop op heil!
Want Christus zelf, als stille gast
Reist in mijn scheepje mee.
Op Zijn bevel durf ‘k uit te gaan
Op wilde, hooge zee!

De tranen, die ik heb geweend,
Zijn door Gods wind gedroogd;
Ik denk niet meer aan wat voorheen
Vergeefs ik heb gepoogd.
Maar met vernieuwde levensmoed
Neem ik een vast besluit:
Ik voel de winden Gods vandaag
En zeil de haven uit!

Advertenties