Stroopsusu

image_650_365Als kind hoor je soms verhalen die je, al gaan ze dieper dan je kennisniveau op die leeftijd mogelijk bevatten kan, nooit vergeet. Ooit waren we – mijn ouders en ik – op een zondagmiddag bij goede kennissen. De vrouw werkte op zaterdag bij mijn vader in de winkel of hielp op de rustige uren in de werkkamer met zilverpoetsen, prijslijsten bijwerken of etalageontwerpen maken. Die zondag waren we bij hen in A. en er was een vriend van hem op bezoek. Een indonesische man, net als de echtgenoot van mevrouw R. was. Ze dronken stroop-susu, een zoete drank van klappermelk (susu = melk) en geurige rozensiroop.

Het gesprek ging over diepzinnige zaken. “Hoe je je leven ook leeft,” zei meneer R., “welke weg je ook bewandelt, uiteindelijk kom je allemaal op hetzelfde punt uit.” Opeens keek hij mij aan. “Ja jongen,” zei hij, “dat gaat nu nog allemaal boven je petje, maar ooit begrijp je dat.” Ik durfde niet te zeggen dat ik heel goed begreep waarover hij sprak en knikte beleefd. Mijn zus en ik waren opgevoed met de regel dat je oudere mensen niet tegensprak. Anderzijds had ik ook helemaal geen zin me in dat gesprek te mengen of me bloot te geven hoe ik zelf over dat soort zaken dacht. Bijna veertig jaar geleden, nog denk ik aan die woorden en tegelijkertijd aan de stroopsusu die ik nog nooit heb geproefd.

Het is overigens niet het verhaal waar ik aan het begin op doelde. Dat vond nog langer geleden plaats. We waren op vakantie op de Veluwe en in die tijd luisterden we vaak naar de radio. ’s Morgens voor het ontbijt stond de radio al aan en ook tijdens het middageten luisterden we naar hetgeen dit medium te bieden had (vaak was dit ‘Raden maar’, een spelletje met Cees Schilperoord waarin luisteraars konden bellen als ze dachten het geluid te herkennen dat ten gehore werd gebracht. De gekste oplossingen werden bedacht; “Ik denk dat het een typemachine is die van de trap wordt gegooid” bijvoorbeeld.)

Op een ochtend vertelde een vrouw een verhaal dat ik nooit ben vergeten en dat ik eigenlijk ook nooit kan vertellen zonder vochtige ogen te krijgen. Ik weet het, ik ben een watje, ik kan ook niet verklaren waarom dit verhaal mij raakt. Het is om die reden dat ik het maar opschrijf. Ik vind het de moeite waard om door te geven. Ik hoorde het begin jaren zeventig en toen was het verhaal misschien al dertig jaar oud, wie weet. Het is lang geleden.

De vrouw in kwestie vertelde dat ze op een nacht een eigenaardige droom had gehad. Ze vertelde dat op de radio ja, maar toen het plaats vond, had ze het ’s ochtends aan haar man en dochter verteld. Ze droomde dat ze op een begrafenis was. Ze wist niet van wie. “Het was heel druk,” zei ze, ze had heel veel mensen van de familie herkend, “iedereen was er behalve ik.” Eigenaardig, niet? Ze droomde dat ze erbij was, maar eigenlijk was ze niet bij de gebeurtenis waarover ze droomde. Alsof ze het aanschouwde als toeschouwer. Maar het wordt vreemder.

“De volgende nacht,”, vertelde ze, “had ik dezelfde droom. Iedereen van de familie was erbij, behalve ik. En wie er in de kist lag, wist ik ook niet.” De hele stoet had ze voorbij zien komen, sommige van hen had ze al jaren niet gezien, want ze was verhuisd van Limburg naar Amsterdam. De nacht daarop had ze weer die droom. Hetzelfde. Drie nachten achter elkaar! Ze had het verhaal ’s ochtends aan de ontbijttafel verteld. “Maar mam,” had haar dochter toen gezegd, “als je vannacht dat nou weer droomt, kijk dan eens in die kist.” En die ochtend kwam met de post (vertraagd door haar verhuizing) het bericht dat haar zus Lena was overleden. “Lena, Lena was dood.”

Tijdens de begrafenis die volgde, was iedereen aanwezig, “en ik was er niet bij.” Ze had niet gekund want de doodsbrief was vertraagd en op de ochtend dat ze die kreeg, was de begrafenis. Ze was er niet bij en ze had het gedroomd. Tot drie keer toe. Niets was er aan het verhaal dat ik niet begreep. Het leek me alleszins logisch, het was alleen frappant dat iemand dat zo kon dromen. Maar er is meer tussen hemel en aarde dan een mens verklaren kan, zo het al een verklaring verlangt. Gek vonden we het niet. Mijn ouders hadden zich, voor wij geboren waren, verdiept in spirituele zaken en mijn vader was ervan overtuigd dat het kon gebeuren dat onze eerste moeder, toen al enkele jaren dood, zomaar eens zou kunnen verschijnen. “Als dat gebeurt, had hij gezegd, er op doelend dat het zou kunnen zijn dat het tijdens de nacht was, “mag je niet het licht aan doen. Dan is ze weg.” Natuurlijk zijn er nachten geweest dat ik er aan dacht dat ze ineens naast mijn bed zou staan. Niet dat ik haar echt verwachtte – het zou alleen kunnen – maar ergens gaf het toch een veilig gevoel.

Soms duurden de nachten lang, ik sliep niet altijd. Ook wist ik niet altijd hoe laat het was als ik wakker was. Dan lag ik te luisteren tot ik een geluid hoorde dat inhield dat mijn ouders nog op waren. Dat was vertrouwd. Af en toe, wanneer bleek dat het ver in de nacht was en ik besefte dat iedereen op bed lag, voelde ik me nameloos alleen. De stilte van het huis omvatte me en heel soms ging ik uit bed, dwaalde door de gang of keek in de kamer. Niemand. Leeg. Stilte. Luisterend aan de slaapkamerdeur van mijn ouders hoorde ik hun ademhaling en ik moest me bedwingen niet op de deur te kloppen, in een wild verlangen naar contact. Mocht ik hun rust verstoren…..? Soms deed ik het, een bescheiden kloppen. Mijn moeder werd wakker en wanneer ik zei dat ik zo naar had gedroomd, kwam ze bij me en bracht me weer naar bed.

Mijn ouders leven al lang niet meer, het huis is al jaren niet meer het ouderlijk huis dat mij zo bekend is, maar soms ben ik weer het jongetje op die verlaten gang in een doodstil huis. Dan sta ik voor een gesloten slaapkamerdeur en luister…… luister of ik de ademhaling kan horen van hen die mij liefhadden. Dan bevriest het beeld. Ik kan niet meer aankloppen. Nooit.

 

Advertenties