Linquenda

horatiusLinquenda is de naam van een huis in Z. Als kind al liep ik er regelmatig langs en de naam op het pand intrigeerde mij vanaf het begin. Eén van mijn klasgenootjes op de kleuterschool woonde er, Marion, een beeldschoon meisje dat heerlijk rook. Ooit, op een winterdag, verloor ze haar handschoen en ik herinner me hoe ik haar deze nadroeg. Kleine herinneringen die je nooit vergeet.

Jaren later pas kwam ik er achter wat de naam betekent. ‘Het moet verlaten worden’.
Het huis was in 1937 gebouwd door de grootvader van Marion. Hij was toen 31 en in het dagelijks leven transporteur van groenten en fruit. De man was zich er terdege van bewust dat hij het pand eens weer zou moeten verlaten, dat hij het maar tijdelijk in bezit had. Waar hij het woord, dat toch niet alle dagen wordt gebezigd, vandaan had?

Er is een aannemelijke optie. We schrijven juni 1917. In Z. werd Petrus Doorn benoemd tot burgemeester. Zijn installatierede stelde hij in het teken van het woord “Linquenda”.
Wellicht onder de indruk van de tekst van Petrus Doorn – mogelijk ter herinnering aan de in 1928 jong gestorven burgemeester – noemde hij zijn huis ‘Linquenda’, beseffend hoe tijdelijk dit alles is.
(Burgemeester Petrus Doorn, geboren op 18 september 1874 te Delft, werd op 29-jarige leeftijd onder het kabinet Kuyper benoemd tot burgemeester van de gemeente Ambt-Almelo. Op 1 december 1913 werd deze gemeente samengevoegd met Stad Almelo, en burgemeester Doorn werd op wachtgeld gesteld tot hij op 11 juni 1917 werd benoemd in Z.. Oké, het is Zwijndrecht.)

Linquenda, ‘Eens moet ik het verlaten’, is ook een belofte: de belofte dat het schip / huis / jacht met die naam langer zou meegaan dan de eigenaar.
Het woord is afgeleid van relinquere = verlaten, achterlaten, opgeven (relinquo)
We vinden het terug bij de romeinse dichter Horatius: “Linquenda tellus, et domus, et placens uxor .”
“Eens moeten wij deze grond, dit huis en de dierbare echtgenote verlaten.”
Het komt uit de Oden of Carmina (Liederen), een gedichtenbundel die werd gepubliceerd in 23 v.Chr. Ze vormen een hoogtepunt in de Latijnse literatuur. Het motto Carpe Diem werd hier voor het eerst gebruikt (boek I nummer 11).
Boek 2 bestaat uit 20 gedichten, waaronder de ode aan Postumus over de vergeefsheid van rijkdom te verzamelen, omdat het eens weer moet worden opgegeven. (II.14).

We leven met dingen die we weer moeten loslaten. Niets is hier blijvend. Dit leven, deze wereld, de dingen en de mensen, alles is vergankelijk en voorbijgaand.
Het geeft soms een gevoel van weemoed als je merkt dat je het leven los moet laten. De dierbare herinneringen, het verleden, maar ook het heden en de mensen om ons heen, je kunt het niet vasthouden. Als je nog niet oud bent, heb je daar niet zoveel last van. Je bent nog intensief met het leven in deze wereld bezig. Soms zijn mensen zo bezig met dit leven, met bouwen en verzamelen, dat ze helemaal geen idee hebben van de vergankelijkheid.
Mensen die hun huis Linquenda noemen hebben wel het besef dat ze eenmaal alles achter moeten laten.

Dat neemt niet weg dat we kunnen en moeten genieten van hetgeen we hebben. Carpe diem! Het hechten is echter het probleem.
Voordat een mens alles los kan laten, moet hij veel overwinnen. De weemoed, de gehechtheid aan de dingen, de afhankelijkheid ervan, het vertrouwen erop, de trots op wat hij allemaal heeft kunnen opbouwen en verwerven, het gevoel dat het zijn bezit is, de zeggenschap erover, het gaat allemaal voorbij. We zijn hier tijdelijk en alles wat we hebben, hebben we ook tijdelijk. (In bijbelse taal: we zijn rentmeesters, geen eigenaar; we hebben het in bruikleen, maar we mogen ons geen bezitter noemen.)
Misschien is dat de grootste vergissing die we maken, te denken dat het van ons is terwijl we het ‘te leen’ hebben.

Burgemeester Doorn wist het blijkbaar. Hij werd slechts 54 en dat is niet oud. De oude heer Ottevanger wist het ook. Hij was de vader van tante Betsie, mijn moeders vriendin.
“Sla je haringen niet te diep,” zei hij tegen haar, gedachtig aan de Israëlieten die ten tijde van Mozes veertig jaar door de woestijn trokken. Zij woonden in tenten en moesten regelmatig opbreken om verder te trekken. Dan konden je tentharingen beter niet te diep, te vast in de grond zitten, dat bemoeilijkte het opbreken.
Wij doen vaak niet anders. We hechten ons aan de plek waar we zijn, we wortelen te vast. Op een dag moeten we vertrekken. Hoe makkelijk kunnen we dan opbreken? Of zijn we zo verankerd in ons leven, dat we nauwelijks loskomen dan met pijn?

 

 

Ach Postumus, vriend Postumus, de jaren                               Eheu fugaces, Postume, Postume,

glijden voorbij en wég. En zelfs geen vroomheid                    labuntur anni nee pietas moram

vermag het rimpels, ouderdom die nadert,                              rugis et instant! senectae

en sterven onafwendbaar, te vertragen.                                   adferet indomitaeque morti,

 

Al tracht je elke dag van licht en donker                                 non si trecenis quotquot eunt dies,

Pluto te paaien met een offerande                                          amice, places illacrimabilem

van hoeveel stieren, – onvermurwbaar blijft hij                        Plutona tauris, quï ter amplum

die zelfs reus Geryon met-de-drie-lijven                                   Geryonen Tityonque tristi

en Tityus gevankelijk omsingelt

 

met het zwart water van de onderwereld,                     compescit unda, scilicet omnibus,

dat allen die van aardes gaven eten                                       quicumque terrae munere vescimur,

eens moeten overvaren, om het even                                      enaviganda, sive reges

of wij hier vorsten zijn of arme boeren.                                    sive inopes erimus coloni.

 

Het helpt dus niet dat wij ons verre houden                             Frustra cruento Marte carebimus

van krijgsgod Mars, van de verbolgen branding                       fractisque rauci fluctibus Hadriae,

der Adriatica en, alle herfsten,                                                frustra per autumnos nocentem

van de sirocco die het lichaam teistert:                                   corporibus metuemus Austrum:

 

ooit moeten wij de langzame meanders                                  visendus ater flumine languido

bezoeken van de jammerstroom Cocytus,                                Cocytos errans et Danai genus

Danaüs’ nakroost zien, het uitgevloekte,                                  infame damnatusque longi

én Sisyphus, uit Aeolus geboren,                                             Sisyphus Aeolides laboris;

tot eindeloze dwangarbeid veroordeeld!

 

Je moet ten slotte wég van deze aarde,                                  linquenda tellus et domus et placens

wég van je huis en hartsgeliefde gade;                                   uxor, neque harum quas colis arborum

van alle bomen die je teelt en koestert                                    te praeter invisas cupressos

zal géén zijn sterfelijke meester volgen                                   ulla brevem dominum sequetur.

dan de gehate grafcipres! Een ander,

 

je erfgenaam, die beter kan beheren,                                      Absumet heres Caecuba dignior

drinkt dan je wijn (Caecubische!) die achter                            servata centum clavibus et mero

een stel van sloten veilig zit geborgen,                                   tinguet pavimentum superbo,

hij zal de vloer bemorsen met je nectar,                                 pontificum potiore cenis.

de tafel van de opperpriesters waardig.

 

Anton van Wilderode

 

 

Advertenties