Havengeur

rotterdamIn het toilet bij mijn oom en tante in Foudgum hing het bekende gedicht van Jan Prins over Rotterdam. Mijn tante was geboren in Schiebroek en dat vond ze als meisje heel erg omdat haar vriendin – mijn moeder – in Hillegersberg woonde en dat was toch een stuk chiquer. Uiteindelijk is ze verhuisd naar Friesland, maar in haar hart bleef ze Rotterdamse.

Wie in dat oude Rotterdam is geboren, in de tijd voordat de gestandaardiseerde zeecontainers het havenbeeld gingen bepalen – containers die zoveel praktischer waren omdat ze niet alleen stapelbaar zijn, maar ook enorm handig om stukgoederen in te verpakken en daarmee de kratten, balen, jute zakken, kisten, blikken, netten en dozen verdrongen – die kent nog de charme van het arbeidsintensieve laden en lossen van goederen en de daarbij behorende geuren en geluiden.

Dat was vóór 1965 want pas in dat jaar werd de eerste container gelost in de rotterdamse haven, ruim dertig jaar nadat Malcolm McLean deze wijze van verpakken uitvond als praktische tijd- en geldbesparende transporteenheid. Het duurde desondanks tot 1955 voordat ze in zwang kwamen. Dat kwam doordat aanvankelijk de noodzaak afwezig was, maar door de groei van de wereldhandel en daardoor het gebrek aan doorstroming in de havens (congestie), kon transporttijd soms enkele maanden duren. Standaardisatie betekende sneller vervoer, wat overigens wel weer ten koste ging van de lijn- en wilde vaart. Maar dit allemaal terzijde.

De haven werd gekenmerkt door zeer eigen geluiden en geuren. De bedrijvigheid ging vergezeld van een eigen taalgebruik, bepaalde gewoontes, tradities. Een paar decennia geleden waren er nog geen geavanceerde communicatiemiddelen en moesten de havenwerkers elkaar vaak op luide toon duidelijk maken wat er aan de hand was en wat ze bedoelden. Misverstanden moesten worden vermeden om ongelukken te voorkomen. Omdat er in de open lucht werd gewerkt en er op en rond de werkvloer nogal wat lawaai was, werd er dan ook nogal eens geschreeuwd. Kreten als ‘beetje viersel bij de poep!’ , “haken weg!” of “Natte jassen in het vuile gat” behoren echter tot het verleden. (de hijskraan een klein beetje laten vieren bij het achterste – verhoogde – deel van een zeeschip; waarschuwingskreet bij controle van de stuurman of de Haven Arbeids Reserve; gepekelde en vochtige runderhuiden in ruim 1 op het voorschip.)
Wie belangstelling heeft voor deze bijna uitgestorven haventaal, bezoekt eens http://www.havenvakschool.com/www.HAVENVAKSCHOOL.com/STUKGOED-HAVENTAAL.html.

Wat de geuren betreft, die komen rijkelijk en met name aan bod in Jan Prins’ gedicht.
Alle geuren uit de wereld waren daar met elkaar gemengd.
Naar koffie rook het bij de Draaisteeg,
aan ’t Oude Hoofd naar teer en touw,
naar copra langs de Spoorweghaven,
naar reuzel bij het Portgebouw,
naar huiden op den Terwenakker
en aan den Haringvliet naar kaas.
Dan was de lucht van gist of olie
en dan van jute weer de baas.
Dan waren het de specerijen
uit Bombay of Batavia.
Naar schapen rook het in de Boompjes,
naar uien op de Spaansche Ka.
Aan ’t Nieuwe Werk geurden citroenen
en bij het Entrepôt tabak.
Wel, de echte Rotterdammer (tenminste diegene die al eens door de havens zwierf), maar ook de oudere schipper, zal het warm om het hart worden bij het lezen van deze regels, die herinneringen oproepen aan een verdwenen Rotterdam.

In oude tijden schreef ene Prediker al dat er niets nieuws onder de zon is. Alles wat is, was ooit al eens en zal weer zijn. Diezelfde jongen die aan de bedrijvige kade stond van de haven van Rotterdam en zijn bloed sneller voelde stromen, stond óók in de dertiende eeuw aan de overvolle kaden van Venetië, waar van zonsopgang tot zonsondergang zeilschepen uit verre landen afmeerden en exotische ladingen brachten als ivoor, specerijen, slaven.
Daar lagen zij, voor alle verten
gereed, elk in zijne eigen pracht.

Venetië, een met een netwerk van kanalen doorsneden sprookjesstad, drijvend op de oceaan, de Koningin van de Adriatische Zee, was het hart van het grootste handelsimperium dat de wereld ooit had.
Over de honderden boogbruggen en talrijke pleinen liepen mensen uit allerlei landen van Europa, Klein-Azië en Noord-Afrika. Gekleed in kleurige gewaden en vreemde talen sprekend, brachten zij een sfeer van geheimzinnige, opwindende streken met zich.

De stad Venetië kwam tot bloei doordat haar ligging haar bestemde tot het grootste handelscentrum tussen oost en west. Handelswaren uit Indië, Perzië, Arabië en streken rond de Kaspische Zee kwamen per karavaan naar Constantinopell, Acra of andere havens in het oostelijk deel van de Middellandse Zee, om via de Adriatische Zee naar Venetië te worden verscheept. Zo kwamen ook koopmansgoederen uit de steden van Frankrijk, de Lage Landen, Engeland en Midden-Europa in Venetië.
Denk je eens in wat het betekende te leven op dat kruispunt waar de lijnen van de wereld elkaar kruisten. Producten, gewoonten, mensen maar ook verhalen kwamen mee met de schepen. Scheepslui met wonderlijke vertelsels over verre wateren en onbekende streken.

Een jongen die in die dertiende eeuw aan de kaden van Venetië stond, was Marco Polo. Jaren later zou hij menigeen verbazen met de verhalen over wat hij had beleefd, over mensen van wie niemand het bestaan kende. Hij beschreef de verblindend gouden en zilveren pagoden van Birma, vertelde over de zwarte kunst van de tovenaars uit Kasjmir, de haaienbezweerders die de parelvissers van Ceylon beschermden en de kannibalen van Sumatra. Het verbazingwekkendst waren zijn verhalen over het land dat het verst oostwaarts lag, het land Cathay (China). Hij noemde het een keizerrijk, groter dan iemand ooit had gekend, met het grootste aantal inwoners, de verbluffendste rijkdom en de machtigste keizers uit de hele geschiedenis.

Marco Polo schreef het allemaal op in zijn ‘Beschrijving van de wereld’, later bekend als ‘De reizen van Marco Polo’. Veel lezers beschouwden het destijds als een boek vol sterke verhalen. Hoe kon men iemand geloven die vertelde van een stad die 12.000 bruggen had, van zwarte stenen en een vloeistof die konden branden (kolen en petroleum), van een paardenexpress met 10.000 stations en 200.000 paarden en tenslotte van een land in het noorden waar het ’s winters steeds nacht was en in de zomer steeds dag?

Eén van zijn latere lezers die het wèl serieus nam, was een zeekapitein uit Genua. Hij las Polo’s boek, maakte aantekeningen in de kantlijn en kwam tot de conclusie dat, gezien het feit dat de aarde rond was, China en India ook via de andere kant, over zee, bereikbaar waren. Hij voer uit in 1492 met het oogmerk die wonderlijke landen westwaarts te benaderen. Hij moest wel, want in 1453 hadden de Turken Constantinopel veroverd, de voormalige christelijk-orthodoxe keizersstad Byzantium aan de Gouden Hoorn, die met haar kanonnen de toegang tot de Zwarte Zee controleerde. De voorpost van de westelijke beschaving was daarmee gevallen.

Sinds de reizen van Marco Polo kwamen er rijkdommen uit het oosten, vanuit het rijk der Mongolen. Geleidelijk aan sneden turkse nomaden en arabische moslems, die Centraal-Azië beheersten, elke contact tussen oost en west af. Een route om het Midden-Oosten te vermijden, liep ofwel om Afrika heen, via Kaap de Goede Hoop, door de Indische Oceaan – pas in 1487 door Bartolomé Dias ontdekt – of door naar het westen te zeilen en zo het Oosten te bereiken, hetgeen Columbus wilde ondernemen.

Terug naar Marco Polo. Als jongen zwierf hij langs de kaden van Venetië, zag, hoorde en rook hij alles wat bij de bedrijvigheid hoorde. Als man liep hij door talloze vreemde havensteden en langs tot dan toe onbekende kaden. Vaak zal ook hij hebben gedacht: hier ruikt het als in Venetië. Zoals Jan Prins de gevoelens van de Rotterdammer verwoordt in zijn gedicht: ‘Maar later, toen ik op mijn tochten in aller Heeren landen kwam, kon het mij dikwijls overvallen: het ruikt hier als in Rotterdam!

 

Te Rotterdam ben ik geboren
onder den adem van de Maas
en liep ik, met mijne eigen stilte,
temidden van het straatgeraas.
Van zwaarbespannen sleeperswagens
ben ik er passagier geweest.
Door heel de stad heb ik gezworven,
maar aan de kaden toch het meest.
Daar lag de stoet uit alle streken,
de klipper en de keulenaar,
het driemastschip, zijn tuig ten hemel,
en de ertsboot, vol en breed en zwaar,
de Lloyd-vloot, met provincie-namen,
alle elf, als ik mij niet vergis,
de Caland en de Lady Tyler,
de Scholten, die gebleven is.
Daar lagen zij, voor alle verten
gereed, elk in zijne eigen pracht.
’t Is me, of ik nog hun stem hoor loeien
ten afscheid, in den winternacht.

Maar dit ook is, wat uit die jaren
het weerzien mij tebinnen brengt,
dat alle geuren uit de wereld
daar met elkaar waren gemengd.
Naar koffie rook het bij de Draaisteeg,
aan ’t Oude Hoofd naar teer en touw,
naar copra langs de Spoorweghaven,
naar reuzel bij het Portgebouw,
naar huiden op den Terwenakker
en aan den Haringvliet naar kaas.
Dan was de lucht van gist of olie
en dan van jute weer de baas.
Dan waren het de specerijen
uit Bombay of Batavia.
Naar schapen rook het in de Boompjes,
naar uien op de Spaansche Ka.
Aan ’t Nieuwe Werk geurden citroenen
en bij het Entrepôt tabak.
Kortom, er valt geen reuk te ruiken,
die aan het havenbeeld ontbrak.

prins-RotterdamMaar later, toen ik op mijn tochten
in aller Heeren landen kwam,
kon het mij dikwijls overvallen:
het ruikt hier als in Rotterdam!
En daarmee kwam den in zijn volheid
dat eene beeld mij voor den geest,
waartegen zich ons leven teekent:
de stad, waar men kind is geweest.
Het is, of vanuit deze haven
iets over heel de wereld drijft
waardoor, waar u het lot mag voeren,
ge toch binnen haar omtrek blijft.
Het is of, met haar lucht en water
en wind, zij ons heeft opgevoed|
in ruimte en vergezicht, de kusten
van onze toekomst tegemoet.
Vaart ge naar Sidney of naar Kaapstad,
naar Kobe of naar Baltimore,
vaart ge onder alle hemelsbreedten,
vaart ge alle wereldzeeën door,
nooit voelt gij u geheel verlaten,
als hier uw mensch-zijn aanvang nam,
door wat van kindsbeen af u eigen
en lief was. Dàt is Rotterdam.

Advertenties