Tat tuam asi

http://www.dreamstime.com/-image3744586‘Eerbied voor het leven’ lijkt zo vanzelfsprekend voor mensen die van goede wil zijn. Niet altijd is dat haalbaar, simpelweg omdat het leven van ons soms eist een keuze te maken. Daar komt dan de ethiek om de hoek kijken, wat is rechtvaardig, wat is goed en wat is slecht?
Albert Schweitzer heeft zich hier terdege in verdiept en een antwoord geformuleerd dat zeer bruikbaar is, al blijft het voor ieder van ons een eigen verantwoordelijkheid hoe om te gaan met leven.
‘Ik ben leven dat leven wil, temidden van leven dat leven wil.’ Alle wezens zijn met dezelfde vreugden en droefenissen bezield.

In het meeleven met andere gestalten van leven hebben we ons als mensen in deze wereld te onderscheiden. Het feit dat de mens als enige in staat is een keuze te formuleren op basis van geweten, daarmee soms ingaand tegen het ‘natuurlijke’, maakt hem verschillend.

Het feit dat wij in staat zijn te denken, te begrijpen en te doorgronden, wil niet zondermeer zeggen dat wij dus beter, hoger of perfecter zijn. Het wil wel zeggen dat we verantwoordelijk zijn voor het leven dat niet dit niveau heeft. Want elk leven heeft dezelfde drang, dezelfde wil tot leven.
Dat wij in staat zijn te begrijpen dat leven léven wil, plus het feit dat wij in staat zijn te helpen om leven te laten groeien waar dat mogelijk is, maakt ons mensen menselijk.

De natuur daarentegen kent geen eerbied voor het leven. Op de meest zinvolle wijze brengt zij duizendvoudig leven voort en op de meest zinlóze wijze vernietigt zij het weer duizendvoudig. Afgezien van de mens, zijn alle schepselen op welke trap van het leven zij zich ook bevinden, in onwetendheid gedompeld. Ze bezitten alleen de wil tot leven, maar ze zijn niet in staat mee te leven met wat andere creaturen overkomt; zelf kunnen ze lijden, maar ze hebben niet het vermogen mee te lijden. De grote wil tot leven, die de natuur in stand houdt, is op een raadselachtige wijze in tegenspraak met zichzelf. Het ene schepsel existeert ten koste van het leven van andere creaturen. De natuur laat de talloze levende wezens de gruwelijkste wreedheden begaan. Via hun instinct zet ze de sluipwesp aan haar eieren in de rups te deponeren; de larven vervolgens eten van binnenuit hun gastheer op tot deze radeloos sterft. Ze stimuleert mieren een leger te vormen om een arm, klein schepseltje aan te vallen en de dood in te jagen. Kijk naar de spinnen! Wat voor een vreselijk handwerk heeft de natuur ze geleerd!
(De mens die willens en wetens anderen martelt, vernedert, verminkt en doodt, is minder nog dan het redeloze dier dat slechts doodt uit levensbehoud.) 

Vanaf een afstand bekeken is de natuur mooi en verheven, maar wie het boek van de natuur leest, huivert. En de wreedheid van de natuur is zo zinloos. De hoogste vormen van leven worden opgeofferd aan de allerlaagste. Een kind ademt tbc-bacillen in. Het groeit op, ziet er goed uit, maar het draagt de kiemen van lijden en een vroege dood in zich, omdat die nietige levende wezentjes zich in zijn organen vermenigvuldigen.

Gij zult niet doden. Deze ethische regel is als een goddelijk gebod verankerd in onze samenleving. Toch ontkomen we niet aan het doden van leven tijdens de voortgang van ons eigen leven. Maar we hebben daarbij een verantwoordelijkheid. Het nemen van leven kan geen vanzelfsprekendheid zijn.
Ook Schweitzer was daar reëel in. Hij ging tot het uiterste om dieren niet onnodig te kwellen of te doden, maar waar hij een nest ratjes vond tussen de medicijnen, of waar een gevaarlijke slang hing in een boom waarvan de takken boven het hospitaal hingen, of waar muskieten of tsetsevliegen hun bacteriën brachten, moest dit leven wijken voor het leven van de mens. Zijn Eerbied voor het leven werd door gezond verstand gematigd.
In Lambaréné werd niet aan vegetarisme gedaan, omdat de grenzen die men stelt aan de eerbiediging van de verschillende levensuitingen niet worden voorgeschreven door eigenmachtige waardebepalingen van lagere levensvormen, zoals planten, en het hogere dierenleven, maar door louter praktische overwegingen.

Daarnaast is het voor ons onoverkomelijk ons leven zo te leiden dat geen enkel wezen lijdt, dat de natuur ongeschonden achter ons blijft. Lopen we over een bospad, dan is onze weg Dood; een mier, die je vertrapte, een kevertje, dat je kneusde. De kikker die we meemaaien met het gras, het konijn dat we aanrijden met onze auto. Maar ook de koeien die ‘geruimd’ moeten worden omdat ze verdacht voedsel kregen of de kippen die sneuvelen in hun te kleine hokken. Het is onze verantwoordelijkheid, direct of indirect.
Wij kennen alles en wij kunnen niets, want wij zijn niet in staat met al onze wijsheid leven te scheppen, maar wat wij voortbrengen is dood.

Medelijden en helpen echter moeten een innerlijke noodzakelijkheid zijn. Alles, wat je kunt doen, zal – gezien hetgeen er gedaan moet worden – een druppel in plaats van een stroom zijn; maar het geeft je leven de enige zin, die het kan hebben en maakt het waardevol.
‘Waar gij zijt, moet, zoveel het u mogelijk is, verlossing zijn, verlossing van de ellende die de in zichzelf gespleten wil-tot-leven in de wereld heeft gebracht. Verlossing, zoals enkel de wetende mens kan brengen.
Het weinige, dat gij kunt doen, is veel – als ge slechts ergens smart of weedom en angst van een levend wezen afneemt, zij het een mens, zij het een ander schepsel. Leven behouden is het enig geluk.’

‘In alles vindt de mens zichzelf terug. U ook! De kever, die dood op de weg ligt – hij was iets, dat leefde, net als u; dat om zijn bestaan worstelde, zich verheugde over de zon, zoals u, angst en smart kende, zoals u, en nu is hij niets meer dan stof in ontbinding – zoals u ook eens zult zijn.’
‘Overal waar ge leven ziet – dat zijt gij!’

Ergens in de jaren veertig, toen Albert Schweitzer in Lambaréné was, werd de tuin omgespit. Eén van de afrikaanse arbeiders ‘kwam een kikker tegen en wilde hem doodmaken. Mikindi, die er bij stond en wist hoe Albert Schweitzer hierover dacht, verhinderde het hem, een derde die er naar keek, zei: dat mag je niet doen, dat ben jij. “Tat tuam asi.”’

Mijn moeder leerde op zevenjarige leeftijd een aardig versje. In zo’n kinderliedje lijkt de aaneenschakeling van narigheid (de gespleten wil-tot-leven) allemaal wat onschuldiger:

Op een keer vloog er een vliegje
Nog heel jong en o zoo klein
Vroolijk rond bij ons in ’t tuintje
In de warme zonneschijn. (bis)

Maar een spin had daar een webje
En ons vliegje vloog er in,
raakte vast in al die draden
Wat een pretje voor die spin (bis)

Pas was onze spin aan ’t smullen
Of daar kwam een musch erbij
Die zei: hap, en spin en vliegje
Waren binnen allebei. (bis)

Maar opeens sprong daar ons poesje,
Op de musch en pakte haar
En zoo kwamen al die diertjes
In haar buikje bij elkaar. (bis)

Advertenties