Woord

Het Onuitsprekelijke maakt ons eenzaam,
Wijl wij het bij de naam niet noemen kunnen;
Het Nameloze maakt ons naamloos droef.

Zoek je ook wel eens naar woorden? Niet tijdens een ongemakkelijke situatie of wanneer we geen raad weten met de emotie van degene tegenover ons (dat schijnt – ondanks de hoeveelheid reality-tv en de ‘recht-voor-z’n-raapopmerkingen tegenwoordig – nog steeds een vaardigheid te zijn die de meeste mensen moeilijk valt), nee gewoon tijdens het voeren van een gesprek of het schrijven van een brief (oké e-mail, ook goed), wanneer je opeens moet zoeken naar het juiste woord. Of überhaupt een woord dat je nodig hebt maar je niet te binnen wilt schieten. Dat je dan soms het woord dat je bedoelt, nadert maar waarvan je weet dat het eigenlijk niet het woord is dat je zoekt, zeg maar. Dat is dan wat er vaak bij wordt gezegd. Zeg maar. Zelfs wanneer we zeggen wat we bedoelen. Daar word ik dan weer nameloos droef van.

Het niet-kunnen-vinden-van-een-woord is vervelend, maar het weten dat er iets is wat we niet kunnen benoemen, voelt als een waar gemis. Het benadert een gevoel, een gedachte en we kunnen het niet uitdrukken.

Bertus Aafjes schreef bovenstaande dichtregels in zijn onvolprezen epos In den Beginne, het scheppingsverhaal in pure poëtische vorm en niet in theologische zin, waar bepaalde doctrines uit gedestilleerd kunnen worden. Hooguit wat ‘aanstootgevende’ symboliek, waar mijn tante haar grijze hoofd bij schudde (“hij wierp met rozeknoppen naar haar borsten’). De overdrachtelijke zin ontging haar.
Waar Adam voorheen alles in zijn puurheid zag
(‘Want zij was enkel Eva, Zij was niets / Daarbuiten. Geen zacht beeldend morgenrood / Vloog aan haar kaak, geen nauwelijks knoppen / Van jonge rozen zweemden naar haar borsten, / geen vergelijking trachtte zich te roeren. / Haar mond was zuiver in zichzelf haar mond, / Haar borsten puur haar blanke borsten zelf.’)

en na de ‘val’, na het eten der verboden vrucht, niets nog puur was in zichzelf maar slechts te benaderen met vergelijkingen:

‘En duizend beelden gloeiden op in Adam / en werden vlees en bolden van zijn lippen / En regenden als kussen neer op Eva: / Ik werp met rozeknoppen naar uwe borsten; / Ik grijp uw kronkelende haar met handen, / Lianen van mijn hartstocht die ik kus, / De lieve duistre adders aan uw hoofd, / Wier beet mij door het oog dringt, ’t vlees ontsteekt / Tot giftge lust, die hunkert naar de dood. / Eva, ik beeld. Ik kan u niet meer noemen / Zoals gij waart. Door een moeras van beelden / Waad ik mij naar u toe, omvat uw leden, / Die jonge hinden springende van wellust, / Sprankelende, spreidgraag. Ik sterf van beelden. / Alles aan u is anders, onbenaambaar, / Slechts vergelijkbaar.’…….

Pater Dr. J van Heugten, literair criticus, stelde in zijn recensie in 1949 dat Aafjes’ gedicht, dat God zoveel mogelijk in de schaduw laat, om alle licht op Adam te doen vallen, te veel de indruk wekt dat er iets ontbreekt aan Adams wezen, dat er niet voorzien is in de behoeften van zijn natuur en hij ongelukkig is van den beginne af, hetgeen in strijd is met het Bijbelse gegeven. ‘Zo werd het gedicht de archaïstische toonzetting van een modern motief: de niet te bevredigen drang van de geest naar het uiterste weten, die geest van de mens, die ongelukkig is zolang de sluier neerhangt, of ongelukkig wordt, zodra hij de sluier wil oplichten.’

Hoewel voelbaar doorleefd, ontbrak het Aafjes hier en daar aan de krachtige beeldspraak waar hij om bekend stond; hij ‘noemde de woorden slechts bij hun schaduw’ zoals hij zelf de gevolgen van de ongehoorzaamheid omschrijft…. Hij is ‘een vreemdeling in het Paradijs’, niet bij machte de woorden op te roepen die moeten schetsen wat hij werkelijk bedoelt.
‘De rauwe geesteloosheid van klanken.’ Dat is ook het resultaat van de nieuwe kennis, de geopende ogen, na het eten van de Boom der Kennis van Goed en Kwaad.

Desniettegenstaande heeft Aafjes haarfijn overgebracht de ontstane tegenstellingen voor en na de culinaire misstap en hetgeen verloren raakte met het overtreden van het goddelijke gebod.

‘Straks zult gij kindren baren en zij spreken / Een taal die glansloos is en zonder puurheid. / Zij noemen slechts de woorden bij hun schaduw; / Zij kunnen nauwlijks met elkander spreken, / Nauwlijks verstaanbaar ’t een van ’t ander scheiden, / En om een woord zal de een de ander doden. / Het woord het zal de wieg der doodslag wezen, / Zijn onverstaanbaarheid een bron van tranen; / Zijn logheid zal de wereld kneevlen, binden, / Zijn traagheid ’t werk der mensen gans mismaken. / Zij zullen trachten in het zweet des aanschijns / ’t Onzegbaar zuivere nog eens te noemen, / En niets dan ’t schaduwrijk der beelden vinden. / Zij zullen woorden baren kort van adem / En klein van kreet. En wat ik zocht te noemen, / Het Aanvangswoord, geen die het ooit zal weten. / Het ging voorgoed verloren in mijn poging. / Ik doodde ’t door de drang het uit te spreken.’

(Bij dit laatste bespeur ik een vergelijking met Martinus Nijhoff’s “Elk woord vernieuwt de stilte die het breekt’, wat – toevallig – ook ‘het begin’ tot onderwerp heeft.
Maar dat terzijde.)

In het poesiealbum van mijn grootmoeder schreef haar zeven jaar oudere broer in 1908 – hij was zestien – een lang gedicht met de korte titel ‘Een woord’. Tussen dit albumgedicht en de literaire poëzie van Bertus Aafjes ligt veertig jaar, maar ik lees ontegenzeglijk het verband wanneer de kracht van het woord (of de gevolgen van het misverstaan) wordt beschreven.

O zeg toch nooit: een woord is maar een woord,
Verklonken reeds , zoodra het is gezegd.
Want niet alleen wie ’t spreekt, ook wie het hoort,
Bepaalt de waarde aan een woord gehecht!
Een woord is als een zaadje, nietig kleen,
Vliegt licht en luchtig met den speelschen wind
Ver over veld en bosch en stroomen heen
Tot het in ’t eind in de aard een rustplaats vindt,
Daar kan ’t vergeten en verdord, vergaan,
Door hitte of kou verloren voor altijd.
Maar ’t kan ook kiemen, groeien langzaam aan,
Tot hoogen boom, met takken breed en wijd.
Zoo kan een woord vervliegen zonder kracht,
Zinlooze klank, als ’t ruischen van de zee;
Maar ’t kan ook wezen wondergroote macht,
Voor een, die ’t hoorde en voerde met zich mee
Voor een, die ’t stil bewaarde in zijn hart
Omdat hem troostte of hem griefde ’t woord
Voor wien het is een bron van vreugd en smart
Die ’t nooit vergeet nadat hij ’t heeft gehoord.
Dan kan het woord ontkeet’nen storm van haat
Na jaren nog, als ’t lang vergeten scheen,
Of liefde wekken, die ons nooit verlaat
Tot troost ons zijn, als lang zijn klank verdween.
Een simpel woord heeft soms een groote kracht
Die edele daden wekt, of ’t goede smoort…..
O, niemand kent eens woords geheime macht.
Zeg daarom nooit, een woord is maar een woord.

Vervolgen we de tekst bij Aafjes: ‘Glansloos en goddeloos werd het heelal. / Zo jammerde en sprak de eerste mens, / De eerste denker en de eerste dichter, / Want ’t onuitsprekelijke maakt ons eenzaam, / Wijl wij het bij de naam niet noemen kunnen, / Het nameloze maakt ons naamloos droef.’

Het probleem van de (hedendaagse?) mens is dat we teveel kunnen benoemen. En we zijn er ons niet eens bewust van. En we zeggen eigenlijk zoveel minder. Triest, zeg maar.

Advertenties