Van Babylon naar Spanje

AlfonsoVI_of_Castile

Alfonso VI

In menig kerk is in de afgelopen week weer het Paasevangelie gelezen, met daarin de geschiedenis van de gevangenneming van en ‘rechtszaak’ tegen Jezus. Met daarbij de overbekende zin ‘Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen’. In de geschiedenis is deze, door het bij het paleis van Pilatus staande volk, geuite kreet dankbaar misbruikt om Joden te vervolgen en om te brengen wanneer dat zo uitkwam (en het kwam nogal eens uit). Joden waren buitenbeentjes, niet te vertrouwen en vaak ongewenst en onbetrouwbaar, zo werd gesteld. Ze hadden Christus vermoord – daarom alleen al verdienden ze straf – en dankzij hun uitroep hadden zij de ellende zelf over zich afgeroepen.
Het beste bewijs voor deze stelling was natuurlijk de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen in 70 na Christus en de verstrooiing van het joodse volk. Te makkelijk wordt echter voorbij gegaan aan de nuance.

In het licht van het christelijk geloof is met de dood en opstanding van Jezus het heil niet langer alleen bestemd voor een uitverkoren volk, maar voor de hele mensheid. Niet langer centripetaal, naar binnen gericht, maar centrifugaal: naar buiten gericht (denk maar aan het rondzwieren van een centrifuge die vanuit een middelpunt alles van zich af slingert).
Maar even terug naar het paleis van Pilatus, waar de ijzervreters die Jezus weg wilden hebben riepen “Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen!” Spraken die voor het hele joodse volk?

Iemand die hier met name een punt van maakte, was Isaac da Costa. De familie Da Costa was ergens in de 17e eeuw uit Portugal naar Nederland gekomen. Het waren sefardische Joden, zoals deze uit Zuid-Europa afkomstige Joden worden genoemd (in tegenstelling tot de uit Oost-Europa afkomstige asjkenazische Joden).
Isaac Da Costa – in 1822 ging hij over tot het Christendom –  hechtte er waarde aan te bewijzen dat de spaanse (lees: sefardische) Joden niet aansprakelijk waren voor het kruisigen van Jezus. Zij waren immers vóór die tijd, in 587 voor Christus, door Nebukadnezar II in ballingschap gevoerd naar Babel. Een groep keerde niet terug naar hun geboortegrond maar bleef in Babel, ook nadat in Palestina na het Edict van Cyrus de tempel en tempelstad weer waren opgebouwd. De joodse bevolking in Babel werd ‘talrijk, bloeiend en van aanmerkelijke invloed. Zelfs gingen, zo men de spaanse als joodse overleveringen op dit punt vertrouwen mag, koloniën van Babel uit naar de Hesperische kusten en stichtten aldaar steden, in welker naam nog de hebreeuwse afkomst erkend wordt: Toledo, Escalonia, Maqueda en andere. Zo veel is zeker, dat in latere eeuwen de vermaarde Rabbijnse Scholen in Spanje een tak en voortzetting zijn geweest van die in Babylon.’ (Da Costa: Israël en de Volken, blz. 42)

Belangrijk was hem vooral de brief, die de Joden van Toledo zouden geschreven hebben aan de Hogepriester Kajafas, die hun gevoelens wilde weten over de vraag of de man, die zich Messias noemde, ter dood veroordeeld moest worden.
Deze brief komt naar voren in een werk van de engelse dichter Robert Southey  (1774-1843). In 1795 ontmoette hij Willem Bilderdijk in Londen uit welke ontmoeting een warme vriendschap voortsproot. Bilderdijks tweede echtgenote, Katharina Wilhelmina Schweickhardt, vertaalde Southeys succesvolle epische gedicht Roderick the last of the Goths (1814) naar het Nederlands. Ongetwijfeld hebben Southey en Da Costa – leerling en vriend van Bilderdijk – elkaar ook ontmoet. In 1824 en 1826 bezocht hij Nederland.

Deze brief nu meldt, dat “wanneer Toledo door Alonso VI op de Moren heroverd was, maakten de Joden dier stad hunne opwachting bij den overwinnaar en verzekerden hem, dat zij een deel van de stammen waren door Nebukadnesar in Spanje verplaatst, geene afstammelingen van de Jeruzalemsche Joden die Christus gekruist hebben. Hunne voorouders, meldden zij, waren geheel en al onschuldig aan dit feit. Want wanneer Kajafas de Hoogepriester aan de Synagogen van Toledo geschreven had, om hun gedachten te weten, omtrent de persoon die zich den Messias noemde, en, of hij ter dood gebracht behoorde te worden, antwoordden de Joden van Toledo, dat naar hun oordeel de profetiën in hem schenen vervuld te zijn, enz. Dit antwoord vertoonden zij in het oorspronkelijk Hebreeuwsch en in het Arabisch enz. Alonso gaf geloof aan dit bericht, deed den brief in het Latijn en in het Castiliaansch overzetten en gaf het in de archieven van Toledo ter bewaring, enz.”
(Rodrigo de Goth, vertaling van mw. Bilderdijk, ’s Gravenhage 1823)

(Alonso of Alfons VI (?, vóór juni 1040 – Toledo, 1 juli 1109) was koning van León van 1065 tot 1109 en van Castilië sinds 1072 na het overlijden van zijn broer. Hij wordt soms ook wel Alfons I van Castilië genaamd. In 1077 riep hij zichzelf uit tot “Keizer van Hispanië”.)

Voila, een grote groep Joden die sowieso niets te maken had met de kruisiging van Jezus. Net zo min als de Joden die in Christus wèl de Messias zagen of de Joden die Hem helemaal niet dood wilden. Een beetje kennis van de geschiedenis is nooit weg.

Jacob Revius schreef fijntjes wie wel de moordenaars van Christus waren:

Hij droeg onze smarten
T’en zijn de Joden niet, Heer Jesu, die u kruisten,
Noch die verraderlijk u togen voor ’t gericht,
Noch die versmadelijk u spogen in ’t gesicht,
Noch die u knevelden, en stieten u vol puisten,

T’en zijn de krijgslui niet die met hun felle vuisten
De rietstok hebben of de hamer opgelicht,
Of het vervloekte hout op Golgotha gesticht,
Of over uwe rok saam dobbelden en tuisten –

Ik ben ‘t, o Heer, ik ben ‘t die u dit heb gedaan,
Ik ben de zware boom die u had overlaân,
Ik ben de taaie streng waarmee Gij ging gebonden,

De nagel en de speer, de gesel die u sloeg,
De bloed-bedropen kroon die uwe schedel droeg,
Want dit is al geschied, helaas! om mijne zonden.

Uit: Jacobus Revius, Over-Ysselsche sangen en dichten (Deventer 1630).

(in hedendaagse spelling, de originele versie luidt:

Hy droech onse smerten
T’en zijn de Joden niet, Heer Jesu, die u cruysten,
Noch die verradelijck u togen voort gericht,
Noch die versmadelijck u spogen int gesicht,
Noch die u knevelden, en stieten u vol puysten,
T’en sijn de crijchs-luy niet die met haer felle vuysten
Den rietstock hebben of den hamer opgelicht,
Of het vervloecte hout op Golgotha gesticht,
Of over uwen rock tsaem dobbelden en tuyschten
Ick bent, ô Heer, ick bent die u dit heb gedaen,
Ick ben den swaren boom die u had overlaen,
Ick ben de taeye streng daermee ghy ginct gebonden,
De nagel, en de speer, de geessel die u sloech,
De bloet-bedropen croon die uwen schedel droech:
Want dit is al geschiet, eylaes! om mijne sonden.
Advertenties