Jonas Daniël Meijer

Jonas-Daniel-MeijerOnlangs was ik het ziekenhuis. Terwijl ik zat te lezen in een meegebracht boek, hoorde ik de arts roepen “Mevrouw van der Meer uit 1948”. Reden om verbaasd op te kijken, want dit is niet wat iedereen op prijs stelt. Het werd al gauw duidelijk waarom de arts zo compleet was: er zat nòg een mevrouw van de Meer te wachten. Zij had blijkbaar gereageerd op de eerste konde van de dokter. Terwijl die mevrouw van der Meer teleurgesteld ging zitten en de ander op de dokter toesnelde, werd de geneesheer ook nog aangeschoten door een echtpaar, alsof de arts in kwestie heel wat had uit te delen. De man naast mij, vrolijk rondkijkend en af en toe een opmerking plaatsend, kon er de humor wel van inzien. “Wie wil er geopereerd worden?”

Hij werd kort daarna zelf opgeroepen en toen hij zijn doktersbezoek had afgerond, liep hij langs me, wees op mijn boek en vroeg “Mag ik u vragen wat u aan het lezen bent, het lijkt mij een nogal oud boek.”
Heerlijk wanneer iemand vrijmoedig vraagt wat hem op het hart ligt. Het was niet slechts nieuwsgierigheid, het was echte belangstelling. Het boek in kwestie was het proefschrift uit 1941 van dr. Jaap Meijer en als ik het zo formuleer, lijkt het heel wat. Toch is het lectuur die goed te lezen is, ook wanneer je wacht in het ziekenhuis.

Jaap Meijer verdedigde zijn dissertatie onder leiding van Prof. Dr. J.M. Romein en behalve dat hij daarmee letterlijk en figuurlijk een historisch werk afleverde, deed hij dit ook nog in ‘moeilijke omstandigheden’ (de oorlogsjaren), zeker gezien zijn onderwerp. De ondertitel van het werk luidt ‘Bijdrage tot de geschiedenis der joodse problematiek in Nederland’, maar de titel zelf zal bij menigeen een lamp doen ontsteken: ‘Isaac da Costa’s weg naar het Christendom’.

Zoniet de lamp van de belangstellende vrager. Of hij wist wie Isaac da Costa was? Nee dat wist hij niet. Hij kende ook nergens een Da Costastraat. Ik legde hem uit dat Da Costa een nederlands dichter was in de 19e eeuw, destijds een wel heel bekend man die de natie schokte met zijn boek ‘Bezwaren tegen de geest der eeuw”. Behalve een dichter is hij ook bekend vanwege zijn Bijbellezingen en als één van de voormannen van het Réveil, een godsdienstige stroming in de 19e eeuw.

“Het was een Jood, zo aan de naam te zien. Heeft hij de oorlog overleefd?”
“Eh, nou toen was hij al dood. Hij is geboren in 1798 en overleed in 1860. En Jaap Meijer, die van 1943 tot 1945 in verschillende kampen zat en de vader is van Ischa Meijer, is overleden in 1993.”
“En Da Costa schreef een Bijbelverklaring…. dus hij ging over tot het Christendom….”
“Ja. Dat is al bijzonder genoeg. Maar weet u wat zo aardig is om dit allemaal te lezen? Je leest niet alleen een hoop over de joodse gemeenschap in Amsterdam in de 19e eeuw, je komt ook namen tegen waarvan je denkt hé….. Iedereen kent bijvoorbeeld in Amsterdam het Jonas Daniël Meijerplein.”
“Ja, het Jonas Daniël Meijerplein. Maar wie was dan Jonas Daniël Meijer hè?”
“Precies. Jonas Daniël Meijer was op zijn zestiende al advocaat. Kom daar nou ‘ns om. En diezelfde Jonas Daniël Meijer was één van de ontwerpers van de nederlandse grondwet in 1813.”

Dat wist hij allemaal niet (ik trouwens ook niet voordat ik het allemaal had gelezen in Jaap Meijers’ proefschrift en elders aanvullende feiten had opgezocht) en hij bedankte me vriendelijk voor de uitleg. Ik keek hem na en vroeg me af of hij iets met de informatie zou doen. Of ik hem iets wijzer had gemaakt. Gouden momenten zijn het, wanneer je kennis kunt delen, zeker wanneer het kennis is die meer en meer aan het wegzakken is, terwijl – in dit geval – Da Costa (maar ook Jonas Daniël Meijer) in hun eeuw zeer vooraanstaande Nederlanders zijn geweest.

Elfenbankje 01De familie Da Costa woonde aan de Nieuwe Heerengracht (Jooden Heeregracht) no 26 (tegenwoordig no 51) en later aan de Nieuwe Heerengracht 23 (dat is tegenwoordig no 45). Jonas Daniël Meijer woonde op nummer 103 (‘één van de fraaiste panden in de amsterdamse Jodenbuurt’). Of hij de voorvader is van Jaap Meijer weet ik niet, inmiddels weet ik weer wel dat Jaap Meijer van 1941 tot 1943 als leraar aan het Joods Lyceum werkte en daar onder anderen Anne Frank in de klas had.

Isaac da Costa – eveneens advocaat sinds zijn promotie in 1818 – had in 1819 een zaak ‘onder Meijer’. Jonas Daniël Meijer was tevens een vriend van Da Costa’s leermeester Willem Bilderdijk.
Meijer promoveerde op 15-jarige leeftijd aan de Leidse Universiteit. Ten tijde van de Bataafse Republiek, op 17 januari 1797, werd hij advocaat te Amsterdam. Hij was toen nog maar 16 jaar oud en de eerste joodse advocaat van Holland. Noch het rijke Amsterdamse koopmansgilde noch andere klanten van christelijken huize klopten aan bij de jonge advocaat. Hij kreeg daardoor de tijd zich te bekwamen in de geschiedenis van het recht van andere landen, resulterend in belangwekkende publicaties, die hem naast internationale roem ook lidmaatschappen van vele europese universiteiten en academies opleverde. In feite bewees hij Europa een grote dienst als een van de grondleggers van de moderne wetgeving.

De jonge Jonas was wat je noemt een wonderkind. Al op 3-jarige leeftijd kon hij lezen en leerde hij Frans en Engels van een privé-leraar. Terwijl Hebreeuws bij zijn normale opvoeding hoorde, begon hij al op vijfjarige leeftijd Latijn te leren. Hij legde aan predikanten en geleerden, die daarvoor speciaal naar het huis van de familie Meijer kwamen, de samenspraken van Erasmus uit. Reeds op zijn zevende werd hij toegelaten tot de vierde klas van de Latijnse school in Arnhem. Hij verliet deze school op 10-jarige leeftijd met een redevoering, waarin kennis van de taal als oorsprong en bron van alle wetenschap werd beschouwd.

In 1803 gaf Jonas Daniel Meijer in de beantwoording van een prijsvraag over de toepassing van het strafrecht, blijk van het feit dat hij zijn tijd ver vooruit was. In 1804 verscheen dit werkstuk over motieven, levensomstandigheden en psychische gesteldheid van een dader.

J.D. Meijer overleed op 6 december 1834. In die tijd wist men nog hoe grote mannen te roemen en stijlvolle grafschriften te formuleren. Het grafgedicht van E.M. Calish drukt uit wat het ‘grote licht’ (Meïr) in zijn tijd en nog lang daarna betekend heeft:

Gij behoeft geen zuil, geen schoon gedachtnisteken
Daar ge in uw werken tot het nageslacht zult spreken.
Uw roem staat vaster dan het marmer en ’t arduin
Wanneer dit wankelt, stort, verkeert tot asch en puin
en ’t graf onkenbaar maakt, waar ’t luister aan zou schenken
Dan zal de wereld nog, eerbiedig, u gedenken
Dan staart zij nog verrukt op ’t licht door U verspreid
Dan bloeit de lauwer nog van Uwe onsterfelijkheid.

Advertenties