Herman

IMG_5032aM. v. Baarle, 8 Jan. 1944, van Herman.
Die dag was mijn grootmoeder jarig en ze kreeg een boek van Herman. Geen boek met een opwekkende titel., Het vergeten dorp. Theodor Kröger beschrijft daarin zijn ervaringen gedurende vier jaar Siberië. Hij schreef het in 1934 en toen was het al twintig jaar geleden dat hij, aan het begin van de Eerste Wereldoorlog, op weg naar zijn vaderland Duitsland, bij de finse grens werd gegrepen en als politiek gevangene naar het koude Siberië werd getransporteerd.

Herman Mens woonde als onderduiker een tijd bij mijn grootouders aan de Rozenlaan. Hij was niet de enige, er woonden in die tijd meerdere mensen in. In die periode was dat een gewoon gezin, vader, moeder, drie kinderen in de leeftijd van 18, 17 en 12, waarvan mijn moeder de oudste was. Herman was met zijn vader op 17 juli 1943 in de middag ‘kennis komen maken’ en op 22 juli stond hij om half zes op de stoep ‘met een grote koffer’, zoals mijn moeder in haar dagboek schreef. ‘Maar afwachten wat het wordt. Hij is rooms.’
Waarom Herman er zat? Waarschijnlijk om aan de Arbeitseinsatz te ontkomen, of om niet als soldaat naar het front te moeten, ik weet het niet. Hij kwam uit Boskoop waar zijn vader een schilderszaak had en aangezien mijn grootvader ook een schilders- en behangbedrijf had, kende hij hen wellicht uit die hoek.

ontluikende liefde
Op woensdag 25 augustus 1943 zei mijn grootmoeder tegen mijn moeder “Ga vanmiddag eens fietsen.” “Nou,” zegt Herman, “gaat dan naar Boskoop.”
‘Na veel wikken en wegen ben ik om 10 min. over 2 weggegaan. ’t Was heerlijk weer. Nog 1 keer bandenpech gehad. Half uur oponthoud. Kwart over 4 was ik daar. ‘k Werd heel hartelijk ontvangen. ‘k Moest mee blijven eten. Nog appels, peren, pruimen en prinsessebonen mee gebracht. Een hele bagage. Kwart over 7 daar vandaan. Kwart over 9 thuis. Herman zat al op de uitkijk.’

Blijkbaar hebben de ouders van Herman gevraagd of ze kwam logeren, want op 28 augustus schrijft ze in haar dagboek: ‘Ik mag van Pa en Moe niet logeren in Boskoop, ze vinden het beter van niet. ‘k Vind het wel jammer. ’t Leek me een gezellig huishouden. Jan was ook aardig.’
Was het vanwege het andere geloof, zagen ze een bui hangen, had het met de oorlog te maken? Mogelijk het laatste, elders staat te lezen ‘jammer dat ik niet bij hun kwam logeren. Pa heeft het liever niet, na de oorlog dan maar’. Had Herman blijkbaar een meisje, dat hij af en toe bij zijn zus in Spangen zag, feit is dat bij zaterdag 5 september valt te lezen: ‘Herman had zin om vanmiddag met mij te cano’en, of naar Plaswijk. Ik had zin naar Plaswijk. ‘k Vond het beroerd, dat ik het stiekum moest doen. We zouden dan gewoon gaan wandelen. ’s Middags, we zaten te lezen, keek Herman mij aan en ik hem. Geen van beiden durfden we wat te zeggen. Om half 5 zei Moe: “Zullen we met z’n allen eens gaan wandelen?” Toen was onze kans verkeken.’
Is het vreemd? Herman leefde mee met het gezin, er werd samen afgewassen, aardappels geschild, af en toe een ‘cigaret’ gerookt, samen (met haar broer en een vriendin) roeien, fietsen, een keer met z’n tweeën op de fiets naar Berkel om bonen te halen….. Je leert elkaar kennen en waarderen.

24 juli 1943Op 11 september gingen Jo en Herman ’s middag op een gehuurde tandem naar Den Haag, Voorburg en Wassenaar, om 8 uur waren ze weer thuis. Gewoon, een gezellige middag, al vroeg een bezoekend oom of ‘Herman wat was van me. Dat krijg je natuurlijk, als ze zo’n jongen zien.’
Op tweede kerstdag zijn Herman, Jo en broer Dick, om half vijf ’s morgens, ‘naar de Roomse kerk geweest. ’t Was wel mooi. Maar ik zou het erg moeilijk vinden om Rooms te worden. Ik kon merken dat Herman ’t fijn vond dat ik mee gegaan was.’
‘Moe is het ook al opgevallen, dat hij anders is dan gewoon tegen mij.’
Toch is er nog ‘niets’ aan de hand. Op 1 januari 1944 stort Herman zijn hart uit over zijn meisje. ”k Heb heel wat gehoord. Die jongen weet zelf eigenlijk nog niet, wat hij wil.’

Het is iets, wat langzaam groeit, tot ontwikkeling komt, rijpt. Ongemerkt, soms steekt het opeens de kop op. Zoals na een avond met veel gezelligheid waarbij tot laat werd gepraat en gelachen. Eenmaal op bed, ‘ik had Dick een zoen beloofd als hij ging kijken hoe laat het was. Herman ging kijken, die zoen was ik al lang vergeten. Even later toen ik langs hun kamertje kwam, om naar de w.c. te gaan, vroeg hij er om. Ik maakte er maar een lolletje van, maar dat ging niet. Voor dat ik het wist, was het gebeurd. Ik schrok er zelf van. Herman geloof ik ook. ‘k Had een raar gevoel in me, een blij gevoel geloof ik.’ (16 jan. ’44)

Dan, op 2 april 1944, schrijft ze het duidelijk op, ze houdt van Herman. ‘Pa is de laatste tijd anders, wat Herman en mij betreft. Vanmiddag vroeg Herman of ik mee ging wandelen. Pa had het liever niet. En meer van die kleine dingen. ‘k Vind het ontzettend jammer. Ik voel nu dat ik van hem houd. Maar het mag en kan niet. Het zal ontzettend stil zijn als hij weer voor goed weg is.’
Het is uitgesproken, zowel door haar als door haar vader. Het is er, maar het kan niet. En het gebeurt niet. Op 29 april: ‘Met Herman nog steeds goeie vrienden. Soms wou ik maar dat hij weg was. We plagen elkaar lekker. Natuurlijk uit gekheid.’

Wanneer Herman is vertrokken, is onbekend. Eind mei was hij nog in Rotterdam, na juni 1944 stopt het dagboek. Het schijnt, dat Herman in de loop van 1944 ziek is geworden en naar huis terugkeerde. Ergens in 1945 komt mijn vader in haar leven. Maar eerst, in februari 1945 komt er een brief uit Boskoop, van Herman, geschreven op 18 februari en gericht aan ‘Mijn beste Pleegmoeder, Jo en Ina.’ De brief werpt een helder licht op de situatie aan de Rozenlaan.
‘Een donderdagmiddag om ongeveer 3 uur ontving ik Uw brief, met de tijding, dat er bij U een inval was gedaan en dat Uw man en Dick zijn meegenomen.
Ik wist eerst niet wat ik hoorde, ik schrok er van en wij allen waren er zeer van ontdaan. Vooral daar ik weet, dat Uw man altijd zo voorzichtig geweest is, en nu op het laatst nog gepikt is het helemaal verschrikkelijk jammer.’

Dan, op 8 april, schrijft Herman: ‘Gisteren ontving ik uw brief, met het heerlijke nieuws, dat Mijnheer weer thuis was. Ik feliciteer U allen heel hartelijk met dit heerlijk gebeuren, ook namens de anderen hier en ik hoop, dat U maar weer spoedig fit bent, en dat U tenminste lichamelijk het leed van die 5 weken vergeten bent.
Iedere keer als we die berichten hier hoorden over dat maar lukraak neerschieten in R’dam dacht ik aan U. Maar gelukkig heeft het niet zo behoeven te zijn. Ik kan me zo echt indenken, die feestelijke stemming bij U thuis, en dat U, Mevrouw, het eerst niet geloven wilde, dat Uw man naar huis toe kwam. Ik zou toch ook nog eens zo dolgraag naar U toe komen. Maar ten eerste kan ik het niet en ten tweede moet ik toch eerst het einde van de oorlog afwachten.’
(…) ‘Zeg, Jo, jij stond zeker ook wel raar te kijken, toen je je Vader zo ineens tegenkwam? Het is ook wel een vreemde gewaarwording, als je denkt, dat hij nog vast zit en hij loopt dan ineens vrij rond te wandelen in de stad. En wat keek je Moeder wel op, toen je met die heerlijke boodschap thuis kwam dat je Vader vrij was.’

Een paar brieven, een dagboek en een leesboek zijn de stille getuigen van een bewogen periode waarin mensen gebeurtenissen met elkaar deelden. Mensen die al lang niet meer leven. Een periode die ver achter ons ligt en waarvan we het leven en de sfeer nog maar moeilijk kunnen achterhalen. Het komt tot ons als schijnt er een lamp op welke die tijd even laat oplichten, een momentopname die ons bekend voorkomt omdat we weten dat het ons leven heeft beïnvloed, lang voordat we werden geboren.
Kleine daden, die na zeventig jaar nog steeds voelbaar zijn. Mooi is dat.

Advertenties