Vriendschap

zg_stuiver1850Een poosje terug zag een lieve vriendin van ons een mesje in onze keukenla, waarvan ze direct uitriep dat dit zúlke fijne mesjes zijn. Dat konden we alleen maar beamen en kort daarna, toen we in de winkel waren waar deze mesjes worden verkocht (per drie zelfs, dus hoe blij kun je dan iemand maken) zei Ellen dan ook “Laten we gelijk even kijken voor een mesje voor Ineke.”
Op. De mesjes waren op, het rek was leeg. Ineke wist niet dat ze een mesje zou krijgen, dus teleurgesteld kon ze niet worden. Wij wel. Zo konden we haar niet verrassen. De keer daarop echter….. weer (of nog steeds) op. Al gauw werd duidelijk dat deze mesjes niet meer zouden komen.

Nu waren de mesjes in onze keukenla al langer geleden aangeschaft, dus erg verwonderlijk is het niet dat ze niet meer tot het winkelassortiment behoorden. Anderzijds, als het zulke goede mesjes zijn, wil iedereen zo’n mesje en in dat geval is het een goed lopend artikel dat je als winkelier niet kwijt wilt, behalve dan door verkoop aan klanten.
Bij Ellen blijft het dan hangen. Mesje. Ineke. En jawel, vorige week kwam ze thuis en voilà, mesje. Voor Ineke. Mesje ingepakt, klaargelegd, want Ineke zou dit weekend langskomen.

Bij ons thuis stonden vroeger in de boekenkast twee boeken van Jan Mens. Wordt tegenwoordig niet meer zoveel gelezen en dat is jammer, want het is een meesterlijk auteur. Eén van de boeken kent bijna iedereen sinds het werd verfilmd. Sinds die tijd werden jongens ook geen ‘Eppo’ meer genoemd, want dat was het debiele broertje van Marleen Spaargaren.
Marleen, ze had onder meer een antiekwinkeltje op het Rusland in Amsterdam. Op een dag kwam ene meneer Verdonck, een goede bekende, binnenlopen. Terwijl Marleen thee zette, zocht hij wat dingen uit, waaronder een klein tafelmesje uit 1879 met een heft van palmhout. (Dat doet me denken aan de tijd dat Ineke zelf een winkeltje had, waar voor klanten ook altijd wel een kop thee of koffie klaarstond.)

Het mesje kreeg Verdonck kado onder het mom ‘kleine geschenken onderhouden de vriendschap’. Tot zover de vergelijking, mocht de welwillende lezer zich afvragen waarom het verhaal is overgegaan in een literaire beschouwing waar het eerst over een vriendschappelijk mesje ging.
Bij het verlaten van de winkel diepte Verdonck uit een vestzakje een oud, zilveren stuivertje op. (Dat was een minuscuul stuivertje met op de kopzijde de afbeelding van koning Willem III; ik kreeg ooit zo’n stuivertje van mijn grootmoeder en zij had het wellicht van haar vader.)
“Dat krijgt u van mij. Voor het mesje.”
“Dat heb ik u geschonken…”
“Jawel. Maar u weet toch, dat een geschonken mes de vriendschap afsnijdt? Zo heeft een ieder zijn eigenaardigheden.”

Het was dit verhaaltje dat ik Ellen vertelde de dag voor Ineke kwam. Ik was dan ook vastbesloten het kleine kadootje niet alleen te overhandigen met een afgedwongen belofte dat zij het pas thuis mocht openmaken, maar ook dat ik er een dubbeltje voor wilde hebben. “Een stuiver mag ook” zei Ellen tegen mij.
Het kwam er niet van. Die middag was het druk en het pakje verwisselde zonder uitgebreide toelichting van eigenaar.

Zojuist leegde ik de brievenbus. Het handschrift op de envelop toonde reeds de afzender en ik verwachtte het bedankje dat Ineke meestal zendt na een gezellige bijeenkomst. Maar, zoals vaak, wist ze ons te overtroeven: ‘Wat een leuke verrassing! Ga ik écht dagelijks gebruiken! Wel wil ik het ‘betalen’, symbolisch moet je een geschonken mes…. kopen! (Zo snijd je de vriendschap niet af!)’
Op de kaart was een dubbeltje geplakt….

‘Verdonck lichtte zijn hoed en verdween na een correcte buiging. Marleen keek hem na, er speelde een glimlach om haar ogen. Ze pakte haar portemonnee en stak het stuivertje in een apart vakje. Het leek haar een kostbaar geschenk.’

Advertenties