Een zuchtje wind

Orleans 1905 Execution de Languille“Languille!”
Opnieuw werden de oogleden opgeheven en de onmiskenbaar levende ogen boorden zich in de mijne, mogelijk nog intenser dan de eerste keer.

Ervaart iemand die onthoofd wordt, nog iets van de wereld om hem heen? Hoe lang werkt ons bewustzijn door?

Een clavecimbelmaker is een handwerksman die nauwkeurig weet te werken. Het snaarinstrument, dat met toetsen wordt bespeeld (getokkeld, in tegenstelling tot de later uitgevonden piano waar de snaren worden aangeslagen), vereist een minutieuze vervaardiging, wil het zuiver klinken en bespeeld kunnen worden. (Elke dag gemiddeld vijftien minuten luisteren naar de klanken van een clavecimbel schijnt trouwens goed te zijn voor je gehoor.)
Het is een cynisch toeval dat een clavecimbelmaker de ontwerper was van een instrument dat het symbool is geworden van een vreselijke periode in de geschiedenis en waarmee de man in kwestie zelf onsterfelijk is geworden.

Tobias Schmidt (1768 – 1821) was een uit Nassau-Usingen afkomstige ‘Klavierbauer’ die zich in 1785 in Parijs vestigde. Begin april 1792 werd hij benaderd door de arts en politicus Joseph-Ignace Guillotin met de vraag om een als een executieapparaat voorstellende valbijl te construeren. Een dergelijk mechanisme met houten en metalen onderdelen vroeg blijkbaar dezelfde vaardigheid als een clavecimbel.

Guillotin kwam wellicht in contact met Schmidt via Charles-Henri Sanson, de officiële beul van Parijs tijdens de Franse Revolutie. Sanson was een muzikaal begaafde man en bevriend met Tobias Schmidt. Ze kwamen te spreken over het door Guillotin gewenste apparaat dat de terechtstellingen enerzijds humaner moesten maken en anderzijds een voor ieder gelijke executie moest bieden (niet langer onthoofding voor edelen en ophanging voor het volk).
De klank van het vervaardigde apparaat was niet te vergelijken met die van het muziekinstrument, al horen sommige stervenden muziek tijdens het overgaan.

“Het is als een koele bries die langs je hals strijkt.” Dat zei de beul, mogelijk ter geruststelling, toen een veroordeelde opkeek naar de hoog boven hem hangende valbijl.
Of de onthalsde daadwerkelijk met een zucht wind het leven werd uitgeveegd, blijft voor ons altijd een vraag. ‘Du moment’ dat we het zouden ervaren, delen we die kennis met geen sterveling meer.
Het leven, dat zich voor een op die wijze onthoofde nog bijna een halve minuut voortzet, is een zeer persoonlijk iets, verborgen in het hoofd zonder lichaam, onkundig tot mededelen daar stem, longen en spieren ontbreken. De laatste gedachten in het hoofd blijven voorgoed ongedeeld; de bijbehorende ervaring beperkt tot een twintigtal seconden, onbekwaam tot overpeinzing. Zo het hoofd dit privilege nog bezit….

Betwijfeld werd of de dood door de guillotine inderdaad pijnloos is, zoals was verondersteld. Dat er een hoeveelheid adrenaline vrijkomt, is een gegeven, maar het is de vraag of dit hormoon nog werkzaam kan zijn. Feit is dat wanneer het hoofd snel wordt afgesneden, het leven niet direct wegvliedt. Bewustzijn en gevoel blijven nog een bepaalde (korte) tijd behouden. Hoe het lichaam dit zonder hoofd ervaart, is moeilijk te zeggen. Het hoofd echter, met zijn brein en zintuigen, is een ander geval.

Op 28 juni 1905 werd in Orleans Henri Languille onder de valbijl gelegd, beschuldigd van en veroordeeld voor moord. Ter plaatse was ene Dr. Beaurieux, die de veroordeelde tot werkelijk het allerlaatste moment nabij was. Hij schreef een ‘sensationeel medisch rapport’ over deze laatste minuten van Languille.
Beaurieux begon zijn verslag met de mededeling dat Languille koelbloedig en moedig het schavot betrad en niet was verdoofd of verlamd van angst, uitputting of ziekte, hetgeen van belang is voor het resultaat van de waarneming.
Na de slag viel het hoofd op het daarvoor bestemde oppervlak en de arts hoefde het niet te beroeren voor zijn onderzoek.

“Hier is dus wat ik opmerkte onmiddellijk na de onthoofding: de oogleden en lippen van de man vertoonden gedurende vijf of zes seconden ritmische samentrekkingen. Ik wachtte enkele seconden tot de krampachtige bewegingen stopten. Het gezicht ontspande, de oogleden half over de ogen. Op dat moment riep ik met een luide stem “Languille!”.
Ik zag de oogleden zich langzaam verheffen, zonder krampachtige beweging – ik benadruk deze eigenaardigheid – maar op een manier, heel duidelijk en normaal, zoals gebeurt in het dagelijks leven bij mensen die wakker worden of uit gepeins worden gewekt.

henri-languilleDaarna fixeerden Languilles ogen zich duidelijk op de mijne en de pupillen stelden zich. Ik had niet te maken met een vage, uitdrukkingsloze blik zoals kan worden waargenomen bij stervende mensen tegen wie men spreekt; ik had te maken met onmiskenbaar levende ogen die naar me keken. Na enkele seconden sloten de oogleden zich opnieuw, langzaam en gelijkmatig, en het hoofd kreeg dezelfde uitdrukking als het had voordat ik het riep.
Het was op dat moment dat ik opnieuw riep en nogmaals, zonder kramp, gingen de oogleden weer omhoog en onmiskenbaar levende ogen fixeerden zich op de mijne, wellicht nog indringender dan de eerste keer. Daarna sloten ze zich opnieuw, maar minder volledig. Ik probeerde het effect van een derde oproep; er was geen verdere beweging – en de ogen kregen de glazige blik van een dode.

Ik vertel u met rigoureuze nauwkeurigheid wat ik heb kunnen waarnemen. De hele zaak duurde 25 tot dertig seconden.”
Langer dan een zuchtje wind.

Advertenties