Steeds dommer

jip-janneke“‘Ik wou eens vragen,’ zei ik moeilijk, ‘u sprak zoëven van epibreren… het zal wel erg dom van me zijn, maar wat is dat eigenlijk?’
Een gemompel van bijval ging door de rijen en ook de ambtenaar keek licht ontroerd, toen hij mijn hand greep en sprak: ‘Dit is werkelijk een heel bijzonder ogenblik, meneer.’
‘Waarom?’ antwoordde ik.
‘Omdat u vraagt wat het betekent,’ zei de man. ‘Het betekent namelijk niets. Het is gewoon maar een woord. Ik heb het zelf verzonnen. Op een dag was er een lastige heer aan het loket, die ons haast wilde laten maken met een kwestie, die zijn tijd moest hebben. Ik zei: ‘Meneer, u hebt groot gelijk, maar geef ons nog een weekje om de zaak te epibreren. Het woord kwam vanzelf uit mijn volheid tevoorschijn. En het werkte uitnemend: de man ging getroost heen.’”

Uit bovenstaande tekst, die in 1954 in een ‘Kronkel’ van Simon Carmiggelt stond, zal menigeen het woord ‘epibreren’ herkennen. Het is symbool geworden voor de mistige taal van de ambtenarij, die zo doende alle mogelijke vergissingen en onduidelijkheden in teksten poogt op te heffen. Voortgekomen uit een angst onvolledig te zijn in de informatie of in de zinsbouw onder welke een vergunning, wet of verordening wordt opgesteld. Sire maakte er dertig jaar geleden al een campagne voor; zeg wat je bedoelt, gebruik duidelijke taal.
Het gebruik van heldere taal is echter iets anders als het gebruik van simpele taal. De schrijfcursussen die te pas en te onpas in de gemeentehuizen in den lande werden gegeven aan de schrijvende Dorknopers, meestal met het oog op het leren schrijven van begrijpelijke brieven, sloegen volledig door. Ambtenaren werd verteld simpeler te schrijven, ‘Jip en Janneke-taal’ te gebruiken.

Jip heeft een eigen tuintje. Hij mag het zelf omspitten. En Janneke helpt. Nu is het tuintje omgespit en vader zegt: Vanmiddag zal ik jullie helpen. Dan gaan we zaaien. Bloemetjes zaaien. En worteltjes. Wacht maar tot vanmiddag.
Maar Jip en Janneke zijn zo ongeduldig. Ze willen nu meteen iets doen. Vader is naar kantoor en Jip zegt: Zullen we zelf bloemetjes zaaien? Goed, zegt Janneke. Hoe moet dat? Ik weet niet, zegt Jip. Weet jij het?
In onze tuin staan bloemen, zegt Janneke. Laten we die maar halen. Dan gaan ze naar de tuin van Jannekes huis. Daar bloeit al heel veel. Kijk deze, zegt Janneke. En ze plukt er een paar.
En deze, zegt Jip en hij plukt een handvol. Ze hebben nu een heleboel bloemetjes. En ze gaan er mee naar Jips tuintje.

Het was heus bedoeld om absurde ambtelijke taal te vermijden, maar hoe zou u het vinden om zo’n brief te ontvangen, ondertekend door de burgemeester?
Om een richtlijn te geven wat begrijpelijke taal is, werd het B1-niveau als uitgangspunt gehanteerd. Daar kon iedereen mee uit de voeten! Mooi, maar…. B1 is een europese norm om te meten hoe goed iemand een vreemde taal beheerst. Een niet-Nederlander die onze taal beheerst op B1-niveau, kan zich redden in alledaagse gesprekken en kan eenvoudige teksten lezen. B1 zegt iets over de taalgebruiker, niet over de tekst.
Kortom: B1 als richtlijn voor taalgebruik bestaat niet. En om nu teksten te schrijven voor Nederlanders op het niveau van een immigrant lijkt mij op zijn zachtst gezegd een onderwaardering van de – zelfs gemiddelde – lezer.

Mij werd op school geleerd dat je taal moest kennen om je begrijpelijk te maken. En om te begrijpen. We hadden zelfs een boek ‘moeilijke woorden’. Teksten mogen best moeilijke woorden bevatten. Wat is er mis met iets leren? Een goede tekst is zo geschreven dat de moeilijke woorden begrijpelijk zijn door de context. En dat het enigszins boeiend leest.
Tekst, literatuur, moet net als kunst, verheffen. Daar ben ik heel ouderwets in. Het gros hoeft zich niet aan te passen aan het domste jongetje in de klas. Dat is een neerwaartse spiraal. Maar wat blijkt: over het algemeen krimpt het vocabulaire!

In april 2004 poneerden de essayisten Rudy Kousbroek, Henk Hofland en Kees Fens in het televisieprogramma Tegenlicht de stelling dat het met de woordenschat van jonge mensen slecht gaat. Kousbroek zei dat jongeren geen moeilijke woorden meer kennen. ‘Als je het hebt over een jobstijding, denken de meeste mensen dat het iets met werkgelegenheid te maken heeft.’ Volgens hem is de ‘verschrikkelijke verarming’ van de ‘vocabulaire’ een objectieve manier om vast te stellen dat het slecht gaat met de cultuurbeleving bij jongeren.
Hij werd bijgetreden door de anderen. Volgens hen tonen jongeren ook nauwelijks of geen belangstelling voor geschiedenis. ‘Dat mensen van de vorige generatie ooit iets gedacht zouden kunnen hebben dat nu nog de moeite van het weten waard zou zijn, is voor de meeste mensen nu onvoorstelbaar.’

Paul Van Grembergen, oud-minister van Cultuur in België, deed elders een duit in hetzelfde zakje.
“Onze taal wordt op vele fora slordig gehanteerd, de woordenschat verarmt, de uitspraak verglijdt naar een soort tussentaaltje. Geen monument, geen kunstwerk, wordt zo verminkt, geminacht, in zijn aard gekrenkt als het algemeen Nederlands. En dit door honderdduizenden. Hele generaties van hoger gediplomeerden en humaniorastudenten verguizen en verhuizen het Nederlands. Het zou in Frankrijk ondenkbaar zijn dat de heren en dames van de hoge huizen, de nationale instellingen of hun regering dergelijk taalgebruik zouden hanteren. Het Franse volk zou het ontslag eisen van elke president en elke minister die het Frans zo zou behandelen als bij ons het Nederlands veronachtzaamd wordt.”

Laten we wel zijn: ondanks het ‘eenvoudige’ taalgebruik worden er aan de lopende band vergissingen gemaakt, omdat we iets anders zeggen dan we bedoelen. Wie ook niet in simpele bewoordingen vergissingen weet te vermijden, kan net zo goed literair Nederlands hanteren.

Pleidooi-voor-duidelijke-taal-niet-altijd-even-helder B1-niveau bestaat niet – artikel Volkskrant 22 juni 2011

Advertenties