Zien (4) Wat is waarheid

trickartoftheweek2De amerikaanse filosoof Daniel Dennett hield zich intensief met hersenonderzoek en bewustzijnsverschijnselen bezig. Veel (dus niet alle!) religieuze ervaringen omvatten kenmerken van wat men hallucinaties zou kunnen noemen. Hallucinaties zijn uitkomsten van de werking van ons brein; ze zijn geen weerspiegeling van de werkelijkheid.
Als we hallucineren zijn we volgens Dennett slachtoffer van een goochelaar in ons brein. Hoe gaat een goochelaar te werk? Een goochelaar laat ons geloven in datgene waarin hij ons wil doen geloven door onze aandacht op iets anders te richten. Onze aandacht dient afgeleid te worden van datgene waarmee de goochelaar bezig is: zijn truc.
Hans Kazan deed ooit een truc waarbij iemand tegen zijn hand moest blazen om een propje weg te toveren, terwijl hij met zijn andere hand gewoon het propje weggooide. De persoon die tegen zijn hand blies zag dit niet, omdat zijn aandacht was gericht op de hand waar hij tegen blies.

Hallucinaties werken op een vergelijkbare manier. Onze hersenen houden ons dan voor de gek. Hallucinaties kunnen nooit hetzelfde realiteitsgehalte hebben als een echte ervaring. Ze zijn nooit zo gedetailleerd als de echte ervaring. Bij een echte ervaring zijn alle zintuigen betrokken. Willen onze hersenen dit simuleren dan is dit dermate gecompliceerd dat ze dit niet aankunnen. Ze krijgen dan simpelweg teveel informatie te verwerken. Sartre stelde al dat je je best het Parthenon kunt voorstellen, maar dat je nooit in je verbeelding de zuilen van het Parthenon kunt tellen.

In de filosofie is een stroming die het Constructivisme heet. Een bepaald verschijnsel wordt slechts ervaren als iets dat werkelijk bestaat en is van andere zaken onderscheidbaar, omdat daarover in de samenleving een afspraak is gemaakt.
We leren door nieuwe informatie te verbinden aan wat we al weten. Ieder mens heeft zijn eigen manier om informatie te verwerken, construeert zijn eigen kennis. Daarbij wordt hij sterk beïnvloed door de reacties en opvattingen in zijn sociale omgeving.

Daartegenover staat het Objectivisme, dat zich bezighoudt met de vraag of men kennis kan verwerven en hoe. Objectivisten zijn van mening dat de kennis alleen gevonden kan worden door het gebruik van logica. Die logica dient toegepast te worden op gegevens die verworven zijn door onze zintuigen. Het objectivisme verwerpt de gedachte dat kennis verworven kan worden door intuïtie of gevoel. Ook andermans meningen hebben geen zeggingskracht als deze niet gebaseerd zijn op rede. Wetenschappers gaan over het algemeen uit van objectivisme. Het moet glashard bewezen kunnen worden en anders is het geen bruikbaar feit.

Dan is er ook nog gedachtegoed dat uitgaat van het zelf.  De wereld bestaat slechts in de eigen verbeelding: alles wat we zien, horen en voelen is een direct gevolg van wat we zelf bedenken (het bewustzijn van de waarnemers). Het ‘zelf’ is het enige wat werkelijk is. Alle anderen die bestaan zijn enkel een bevestiging van het zelf. We denken ‘die ander is anders dan ik’ of ‘die ander is hetzelfde als ik’. Uiteindelijk gaat het dan toch weer over het zelf. Dit wordt ‘solipsistische gedachtegoed’ genoemd (solus = alleen, ipse = zelf).
Immanuel Kant trok het solipsistische gedachtegoed in twijfel door te stellen: “Denken dat je in het vuur staat, is niet hetzelfde als in het vuur staan.” Daar heeft hij gelijk in, maar in de beleving van de eigen realiteit is de eigen ervaring leidend, en dat is heel iets anders dan verbeelding.

“Yamaoka Tesshu bezocht als jong Zenstudent de ene meester na de andere. zo deed hij ook een beroep op Dokuon van de Shokoku-tempel. Omdat hij zijn aanleg wilde tonen, zei hij: ‘De geest, God, en waarnemende wezens bestaan niet. De ware aard der verschijnselen is leegte. Er is geen besef, geen misleiding, geen wijsheid, geen middelmatigheid. Er is niets te geven en niets te ontvangen’. Dokuon rookte rustig zijn pijp en zei niets. Opeens gaf hij Yamaoka een mep met zijn bamboepijp. Dit maakte de jongeman erg kwaad. ‘Als er niets bestaat’, zei Dokuon, ‘waar komt dan die kwaadheid vandaan?'”

Deze boeddhistische benadering van leegte wordt gebruikt om het (niet)zijn te beschrijven. Wat nog steeds aanwezig is, zijn de zes zintuigen en de vijf khandhas, welke afhankelijk zijn van het lichaam en het leven zelf. Wat er niet meer is, zijn de mentale verstoringen; verlangen, aversie en onwetendheid.
De zes zintuigen of gevoelsorganen omvatten de gehele beleving van de wereld door de mens. Dit zijn: het fysiek lichaam, de ogen, de tong, de neus, de oren, en de geest.
De vijf khandhas zijn: materie of fysieke vorm; gewaarwording (door de zes zintuigen); perceptie of voorstelling (m.b.v. geheugen); intenties, ook wel gedachten (die het gedrag bepalen); bewustzijn of aandacht.

Leegte betekent hier dus leeg zijn wat betreft verlangens, aversie en onwetendheid. Dit is al een onbevangen benadering van de realiteit. Maar wat is realiteit? Is dat wat wij ervaren, of dat wat we denken te ervaren? Want hoe we iets beleven is grotendeels bepaald door onze opvatting. Wat de één leuk vindt, ervaart de ander als vreselijk. Alles wat we zien, horen en voelen is een gevolg van wat we zelf bedenken. In de benadering van onze ‘umwelt’ staan wijzelf altijd centraal. De mens is als enige in staat om zichzelf te denken als middelpunt van het heelal. Is dat arrogant? Welnee, het is slechts misleidend. Maar wie zichzelf ziet als een piepklein radertje in een groot geheel, als een stofje in de massa, als één van velen, loopt het risico zich waardeloos te voelen. Dat wil niemand.

Gelukkig hoeft dat ook niet. Ieder mens is, juist door zijn eigenheid aan gedachten en ervaringen, een wereld op zich.

Advertenties