Henry Chapuis

lucifer_zaadjeToen Henry Chapuis, een slotenmaker uit Genève, in mei 1904 in zijn geboortestad aan de gevolgen van een tropenziekte overleed, was hij pas 28 jaar en de weinigen, die om zijn graf stonden, hebben stellig gezegd: “Jammer. Wat had hij nog veel kunnen bereiken als hij niet op zo jeugdige leeftijd door de verraderlijke ziekte was weggerukt.” Toch heeft deze jonge man meer bereikt dan hij ooit zelf had kunnen vermoeden. Hij was het lucifertje dat een groot vuur ontstak.

Op eenentwintigjarige leeftijd was het voor hem duidelijk dat hij als zendeling naar Centraal Afrika wilde, waar hij in 1901 naar toe reisde. Nog geen jaar na aankomst keerden zijn vrouw en kind noodgedwongen terug omdat ze niet bestand waren tegen het moordende klimaat van het Congogebied. Kort daarop voelde hij de eerste symptomen van de ziekte, waaraan hij zou sterven. Rillend van de koorts ging hij met verlof naar Europa, waar zijn levenslicht, als van zovele zendelingen voor hem, stil en zonder ophef is gedoofd.

Oppervlakkig gezien kan men zeggen dat dit leven, waaraan al zo vroeg een einde kwam, zinloos is geweest en tot niets heeft geleid. Maar is het leven van een voorbeeldig, offervaardig mens ooit werkelijk zinloos? Juist in het geval van de bescheiden monsieur Chapuis blijkt, hoe een verheven voorbeeld steeds verder doorwerkt, hoe het op onverwachte plaatsen tot bezieling en navolging kan leiden, hoe zelfs een dode nog oneindig veel goeds kan doen door invloed uit te oefenen op iemand, die hem overleeft.

Eén van de bestuursleden van de Société des Missions Evangéliques de Paris, ds. Alfred Boegner, schreef voor het mededelingenblaadje van het genootschap een ‘in memoriam’ over de zo vroeg gestorvene. Hij verbond daaraan de volgende beschouwing:
“Er moeten frisse krachten worden toegevoegd aan het kleine leger, dat aan de oevers van de Ogowe strijdt. Waar moeten wij die frisse krachten vinden? Moge deze oproep de lezers ervan ter harte gaan. Moge Gods geest het geweten van degenen, waarop de blik van de Meester reeds is gevestigd, wakker maken. De zendeling Coillard vertelde eens, welke diepe indruk het op hem maakte, als hij zag hoe de onderhoofden van een grote afrikaanse koning zich op diens wenk verhieven en zich verwijderden met het eenvoudige woord: ‘Heer, ik ga op weg.’ Mensen die op de wenk van de Koning eenvoudig: ‘Heer ik ga op weg’ zeggen, die heeft het zendingswerk en dus het genootschap dringend nodig.”

Enkele maanden na het overlijden van Henry Chapuis, in de herfst van 1904, viel het blaadje met dit doodsbericht in handen van Albert Schweitzer. Dit artikel, plus de weigering van diverse instanties in te gaan op zijn aanbod om weeskinderen op te nemen in zijn ruime dienstwoning (zelfs na het afbranden van het straatsburgse weeshuis), bewoog Schweitzer zich te richten op de Congo, waar hij met name de ellende zag waaronder de negers gebukt gingen.
Hij wendde zich tot Boegner, die in eerste instantie niet zat te wachten op de professor met zijn liberale theologische inzichten. Pas nadat duidelijk werd dat Schweitzer niet als zendeling maar als arts daarheen wil en bereid was daartoe een studie tot arts te volgen, zag het genootschap de waarde van zijn aanbod.

Zonder Henry Chapuis was Albert Schweitzer wellicht niet naar Afrika gegaan en was hij niet uitgegroeid tot het inspirerende voorbeeld dat mede een stempel drukte op de twintigste eeuw. Dan hadden de filosofische boeken van Dr. Schweitzer nog steeds verkondigd dat er in de wereld naast scheppingskracht ook vernietigingswil is, naast opoffering ook zelfhandhaving, en dat alles wat zich richt op ondergang, tegenwerking en vernietiging, een zinloze kracht is, maar dat daarentegen alles wat opbouwend, helpend en bevorderend is, beantwoordt aan het doel van het leven. Dat het onze mystieke en ethische plicht is dat wij de zelfhandhaving en zelfvolmaking tot een minimum beperken en onszelf, offers brengend, geven aan anderen.
Maar wie had vandaag de dag die boeken nog gelezen? Juist door Schweitzers praktiserende voorbeeld kregen deze woorden kracht en zijn ze gaan leven.

Het gaat er niet om of we grote dingen doen. Wie als Henry Chapuis zijn hart volgt en datgene doet hetgeen je vindt dat je moet doen, doet het juiste. We zijn als mens in de wereld gesteld, we zijn in staat die wereld kritisch te beoordelen, en we zijn verplicht haar positief en met mededogen te beïnvloeden, hoe bescheiden ook. De rest is niet van belang.

 

Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde.

Het water gaat er anders dan voorheen.

De stroom van een rivier hou je niet tegen.

Het water vindt altijd een weg omheen.

 

Misschien eens gevuld door sneeuw en regen,

neemt de rivier mijn kiezel met zich mee.

Om hem dan glad en rond gesleten,

te laten rusten in de luwte van de zee.

 

Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde.

Nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten,

ik leverde bewijs van mijn bestaan.

Omdat, door het verleggen van die ene steen,

de stroom nooit meer dezelfde weg kan gaan.

 

(Bram Vermeulen)

 

Advertenties