Lente

Bezoek aan Achterbosch (VIII)

En thuisgekomen in de zwoele stad,
Gelukkig weer, en toch weer ontevreden,
Vraag ik mij af waarom alleen ’t verleden
Mij, altijd weer, ’t eenig geluk geeft dat

Voorgoed beklijft, waarom ’t geluk van heden
Mij minder boeit dan ’t geen ik eens bezat:
’t Is of men stijgt langs een steeds steiler pad,
En alles wat men liefheeft ligt beneden.

Hier, in mijn kamer, lang na middernacht,
De ramen open op den sterrennacht,
Kan ik weer luistren naar mijzelf en stil

Gelukkig zijn gedurende een paar uren.
Dat is wat overblijft van de oude vuren,
En van de jeugd en van de maand April.

Jan van Nijlen (1884-1965)
Uit: Bezoek aan Achterbosch I-VIII

Het nieuwe hart in de lente

Bloemen en landliederen heel den dag.
Namen die de ziel vindt maar niet kan noemen.
En in den nacht landliederen en bloemen
Die door de droomen lichten met hun lach.

En het zeere verlangen valt nu neer,
En wijkt stil weg en is ver en vergeten….
De kleinste kindren in de dorpstraat weten
’t Oud levensgeheim. En ik weet het weer.

Nu niet aarzlend zoeken meer, niet vragen
Naar zin en oorsprong van angstig verdriet,
Van twijflend tasten, onvervulde dagen.

Want met dees wereld werd ik nieuw. En ziet,
Het is nu alles opgelost. Hier lagen
Altijd mijn schatten — maar ik zag ze niet.

Victor E. van Vriesland (1892-1974)
uit: Voorwaardelijk uitzicht (1929)

Advertenties