Broodje met kaas

Barrendina Jans van Delden alias Broodje met Kaas‘Hoer’ zou een betere titel van dit stukje zijn. Maar daarmee zou ik haar tekort doen. Ze was er één, zeker, maar in een tijd die ver van de onze ligt en waarin normen en waarden een andere klank hadden dan tegenwoordig.
Waarom ze ‘broodje met kaas’ werd genoemd, laat zich slechts raden. Niemand van haar klanten kan het nog vertellen, want ze zijn allemaal dood. Dat komt niet door haar, dat komt doordat de tijd ze allemaal heeft weggenomen. Zonder een spoor na te laten, want hun bezoekjes waren niet zo publiek als de vrouw die hen ontving. Hun lust, hun geld, hun zorgen, hun naam, het is allemaal vergaan. Alleen haar naam niet. Barrendina J. van Delden, geboren te Rotterdam op 3 november 1871.

Wat zou het aardig zijn wanneer ik kon schrijven dat mijn opa haar goed kende en regelmatig bij haar thuis aan de Schavensteeg 22 kwam. Historisch gezien dan. Mijn opa woonde weliswaar in Rotterdam, maar was echter hoerenloper noch reclasseringsambtenaar en het zou hem geen recht doen om iets in die trant uit mijn duim te zuigen. Bovendien was hij destijds nog heel erg minderjarig.

Wie haar wel kende, was een agent van politie die ongeveer een eeuw geleden het boekje ‘Het rosse leven en sterven van de Zandstraat’ kocht, geschreven door Marie Joseph Brusse. Brusse (1873-1941) was schrijver en journalist bij onder meer De Amsterdammer en de NRC. Bekend werd hij door het boek ‘Boefje’, maar de meeste mensen herinneren zich zijn zoons beter, onder anderen Jan en Kees.

Deze agent dus, goed ingevoerd in de Zandstraat en omgeving – waarschijnlijk had hij vaak dienst in het bureau aan de Zandstraat 53 – vulde uit zijn herinnering de informatie in het boek aan en plakte er hier en daar zelfs foto’s bij uit het politiearchief. Wie goed kijkt, ziet in de rechteronderhoek een reliëfstempel van de Politie Rotterdam. Het is een van de weinige publieke vrouwen uit het eind van de negentiende eeuw van wie een portret is nagelaten. Zó zag een hoer er toen dus uit. Keurige vrouw naar onze begrippen. Zo zou je grootmoeder of je oude tante er uit kunnen zien. Nou ja, zeg het maar niet tegen ze.

Ik kwam het boekje vijf jaar geleden tegen op de markt in Rotterdam en begrijp niet dat het voor een euro van de hand ging. Zonder de toegevoegde informatie goed betaald, maar in de huidige staat is het een onvervangbaar tijdsdocument.
Brengt de meesterlijk geschreven tekst je al in een voorbije wereld – Brusse beschrijft de buurt als woonde hij er zelf – juist door de aantekeningen van oom Agent beginnen diverse personages te leven.

De Zandstraat, de Schavenstraat, het Roode Zand, de Peperstraat, de Blommengang en de Raamstraat, de Halve Maanstraat en de Vierwindenstraat, de Hofstraat en de Trouwsteeg lagen allemaal in de Polder, de grond waarop thans het stadhuis pronkt. In 1912 was het hele wijkje gesloopt en lag er een enorm terrein braak, waar in de daaropvolgende jaren de creatie van prof. dr. Henri Evers verrees.
De internationaal vermaarde nachtbuurt, waarvan honderden Rotterdammers, zeelui van over de hele wereld en andere vreemdelingen en artiesten hun ‘drossige’ herinneringen met zich meedroegen, werd vanaf 1 september 1920 de zetel van het stadsbestuur.

Vrouwen als de Koningin, de Pinksterblom, Marie met ’t Handje (ja heus), Pukkeltje en Mie de Pruik leefden er hun verflenste leven, met wanhoop, liefde, verlokkingen, tragiek en geheimzinnigheid. En natuurlijk Broodje met Kaas, van wie misschien niemand meer weet waarheen ze ging nadat haar wereld was verdwenen.Schavensteeg en Zandstraat_1910
“Sedert enige jaren is zij overleden” schreef oom Agent ergens in de jaren tien. Jans van Delden, die aanvankelijk getrouwd was met Joseph Pels, een ‘internationale koppelaar’ die een nachtzaak had aan de Zandstraat 64. Later zat Jans aan de Schavensteeg 22 (bekend als het ‘dievenhol’) waar Broodje leefde met Jan van der Laan, een nachtkoetsier en later met Marinus Bressen, bijgenaamd ‘lange Rinus’.

Zou Ahmed Aboutaleb weten dat hij op de plek werkt waar ooit tientallen vrouwen hun waren aan de man brachten? Het zal hem ongetwijfeld met tevredenheid stemmen dat die krottenwijk met danshuizen en dievenkroegjes is verdwenen, waar een eigen cultuur en eigen mores heerste die de Zandstraatbuurt destijds maakte tot de ‘pittigste, eigenste wijk van de stad’, maar waarvan in januari 1912, toen de wind over de kale vlakte waaide in plaats van het rumoer,  het geschreeuw, ’t zatte gelol, gestommel en getier, de flarden muziek van harmonica’s en kreukelige orkestjes met deunen van Offenbach en Strauss, schichtige fluiten, een oude vrouw angstig zei: “M’n oren tuiten van de stilte.”

Advertenties