Evolutionaire geneeskunde

boskikkerWaarom moet je plassen als je een poosje in de kou staat? Hadden mensen in de IJstijd daar ook last van? En mensen in de IJstijd die diabetes hadden, moesten die extra plassen? Heb je daar wel eens over nagedacht? Nee zeker.

Gepromoveerd fysioloog en arts Sharon Moalem wel. De Canadese wetenschapper is gedreven door de vraag waarom er eigenlijk genen bestaan die mensen ziek maken. In zijn boek Survival of the Sickest neemt hij de lezer mee op een ‘medical mystery tour’ in de evolutionaire geneeskunde.
Centrale vraag is: waarom worden genen die organismen ziek maken, doorgegeven via voortplanting? Bijkomende vraag: heeft dat nut?

Dat ziektegenen voordeel bieden schijnt geen uitzondering te zijn, maar regel. Zo is sinds enige tijd bekend dat het gen voor cystische fibrose bescherming biedt tegen tuberculose. Dat is taaislijmziekte en heeft niks met tbc te maken. Hooguit wellicht de longen die één van de plekken zijn waar het taaie slijm wordt gevormd. Met twee kopieën van het gen sterf je jong. Met één kopie ben je niet ziek, maar wel gedeeltelijk beschermd tegen tuberculose. Daar stierf in Europa tussen de zeventiende en de twintigste eeuw een op de vijf mensen aan. Elke bescherming was dus welkom.

Een meer controversiële theorie kan verklaren waarom er genen zijn die verband houden met diabetes mellitus type 1 (onvoldoende of geen productie van insuline).
Insulineafhankelijke diabetes komt richting de evenaar steeds minder voor. Mogelijk heeft het mensen in staat gesteld de laatste ijstijd (12.700 – 11.560 jaar geleden) te overleven. De aanwijzingen hiervoor komen uit het planten- en dierenrijk.
Van druiven is bekend dat wanneer het gaat vriezen ze water lozen, zodat het interne suikergehalte stijgt en als antivries werkt. Je kunt er dan heerlijke ijswijn van maken, een zoete geurige wijn die vaak als dessertwijn wordt gedronken. Maar daar gaat het hier niet om. Het gaat er om dat ze door de stijging van het suikergehalte niet ‘dood’vriezen.

Wanneer ratten worden blootgesteld aan vrieskou worden ze resistent tegen hun eigen insuline. Ze worden diabetisch. De boskikker Rana sylvatica, een piepklein kikkertje, heeft een nog opvallender eigenschap. Bij het dalen van de temperatuur werkt de kikker water uit zijn bloed en orgaancellen, om vervolgens gigantische hoeveelheden alcoholsuikers de bloedbaan in te loodsen, waardoor de suikerspiegel met een factor honderd stijgt. Deze kikker bevriest in de winter zonder te sterven. Zodra het warmer wordt, ontdooit de kikker en komt tot leven. Eventuele vorstschade aan zijn lichaampje wordt vervolgens hersteld door een overmaat aan fibrinogeen.

Fibrinogeen is een oplosbare proteïne in het bloedplasma. Het wordt door de lever aangemaakt en speelt een belangrijke rol bij de bloedstolling. Als er een bloeding is in of aan het lichaam, wordt fibrinogeen omgezet in fibrine. Dit vormt draden op de plek van de beschadiging van het bloedvat. Bloedplaatjes komen in dit netwerk van draden vast te zitten en zorgen samen met de fibrinedraden voor het dichten van de wond (vorming van een stolsel). Het vers ontstane fibrinenetwerk wordt geleidelijk vaster en onoplosbaar onder inwerking van de fibrine-stabiliserende factor (FSF), ook wel stollingsfactor XIII genoemd. Kortweg: korstje!

Het is waarschijnlijk dat de mens zich heeft aangepast aan een ijstijd. Om die reden moet je plassen als je een poosje in de kou staat. Van wat we nu diabetes noemen had iemand in de ijstijd waarschijnlijk geen last. Voedsel zal er niet in overvloed zijn geweest, waardoor het bloedsuikergehalte sowieso niet heel hoog werd. Bovendien kan bruin vet, dat mensen in de kou aanmaken, suikers direct omzetten in warmte. Is het dan toeval dat diabetes type 1 nu nog het meest voorkomt in Finland?

Het boek Survival of the Sickest (nederlandse titel: Het nut van ziekte) is in 2007 met gemengde gevoelens ontvangen. Mensen die de evolutie op geloofsgronden terzijde schuiven, zien het verband tussen het doorgeven van aangepaste genetische informatie en ziekten niet. 
Moalem vindt dat met name artsen meer moeten beseffen dat evolutie een rol speelt bij ziekte. “Impliciet weten dokters het wel. Als je te vaak antibioticum voorschrijft, ontstaat resistentie. Om dezelfde reden moet je bij een hiv-infectie verschillende middelen inzetten. Dat is vanwege evolutie,” stelt hij.

Maar ook bij mensen is de evolutie niet over. Het gen voor apo-E4 geeft door hoog cholesterol een risico op hart- en vaatziekte. Hetzelfde gen kan ervoor zorgen dat ook bij weinig zonlicht, of juist bij mensen met een heel donkere huid, toch vitamine D wordt aangemaakt.
Er is een driehoeksverhouding tussen de zon, cholesterol en vitamine D. Waarom is dit van belang voor de dokter? Omdat een cholesterolbepaling in de winter wel 30 procent kan verschillen met een meting in de zomer. Dat kan bij grensgevallen doorslaggevend zijn om wel of geen cholesterolverlagende medicamenten (statines) voor te schrijven. Dus houd je er als arts rekening mee dat het cholesterolgehalte in de winter meestal hoger is.

Elk lichaam is het resultaat van aanpassing op aanpassing. Zelfs als gelovig arts moet je rekening houden met de principes van evolutie.

 

Advertenties