De wens van de weduwe

karaganda-oblast-kazakhstan-scenery-1Een poosje terug was ik op een begrafenis. Het was (gelukkig) lang geleden, op zulke bijeenkomsten kun je beter niet te vaak komen. Toch is het een onvermijdelijk onderdeel van het leven en – laten we eerlijk zijn – het kan inspirerende momenten opleveren.
Graag gebruik ik voor zo’n gebeurtenis een letterlijke vertaling uit het duits die dan nog wat prettig aandoet; zodoende waren we dus bij een beaardiging.

De overledene in kwestie was een relatie van Ellen en voor mij een totaal onbekende. Zij gaat niet naar alle relaties die overlijden, maar sommigen zijn de uitzondering waard. Uiteraard vergezel ik haar dan.
We arriveerden twintig minuten voor tijd op een bijzonder zonnige ochtend. En dat in november!
Zelf moet ik af en toe eens iets organiseren, dus het viel me direct op dat het niet ging zoals je zou verwachten dat het hoort te gaan. De deuren van de aula waren gesloten. Direct rijst dan de vraag ‘kun je (al) naar binnen?’ Ja dat kon. In de ontvangsthal stond niemand van de begrafenisonderneming die het evenement regelde. Zodoende keken de reeds aanwezigen wat doelloos om zich heen, zoekend naar bekenden. Bij de ingang lag een gastenboek. Verderop nog twee. Was dit het goeie boek? Een naam stond er niet bij.
Het welkom, het ‘warme bad’ wat je als rouwende mag verwachten, ontbeerde.

Gaandeweg werd het drukker in de hal, vol zelfs, de meeste mensen bleven na binnenkomst bij de ingang staan. Dat schijnt iets heel menselijks te zijn, blijven staan vlak bij deuren, trappen, doorgangen in plaats van iets verder door te lopen.
Vlak voor de aanvang kwam iemand van de onderneming bij het gastenboek een rouwkaart plaatsen op de plaats waar je een foto van de overledene zou verwachten. Wat laat, naar mijn idee.
Kort daarop zou de aula opengaan, meldde dezelfde man. Hij vond het namens de familie fijn dat er zoveel mensen waren, maar voegde er tevens aan toe dat er niet voldoende stoelen in de aula zijn, dus of ieder opzij wilde kijken of er iemand zou zijn die niet lang kon staan en of de overigen rondom wilden gaan staan.

Inderdaad waren er zo’n honderd stoelen en een veertigtal mensen vond langs de wanden een plaats. Wij zaten op de achterste rij. Er klonk pianomuziek.
De dame die de uitvaart leidde, heette ons vanaf een briefje welkom. Ze zei dat een broer van de overledene de muzikale bijdrage zou leveren tijdens de dienst.
Een eerste vertolking was een lied uit Brazilië. Hij lichtte zijn keuze toe. In zijn herinnering zag hij als achtjarig ventje zijn tien jaar oudere broer voor de spiegel staan, zijn haren kammend met brillantine, zingend “Amore, amore, amore….”. 

De kleinkinderen hingen tekeningen aan de kist. Daarna sprak zijn oudste zoon. Spontaan, aangedaan, snel sprekend, emotioneel, sympathiek. Hij las een brief voor aan zijn vader, geschreven twee weken voor zijn dood. Zijn vader had de brief nog kunnen lezen.
Achtereenvolgens vertelden een kleindochter, dochter, broer en zwager over hun opa, vader, broer en zwager. Tussendoor speelde de jongste broer. Diverse muziek, waaronder Mozart en ‘Vergeet me niet’, een tango van Astor Piazolla. Ondertussen verschenen op de wand foto’s via lichtbeelden.

Ik was aanwezig bij de uitvaartdienst van een voor mij onbekende man. Maar aan het eind van de bijeenkomst was hij voor mij geen onbekende meer. Ik had kennisgemaakt met iemand, geboren in 1927, die een jeugd had gehad, die de oorlog had meegemaakt, had gewerkt, mensen had beïnvloed, was getrouwd, kinderen gekregen en iets had achtergelaten waar de mensen die hem kenden met ontroering en in liefde op terugkeken.
Dat vond ik mooi. Kennis kunnen maken met iemand die er niet meer is.

Ik zocht naar de weduwe, maar kon die niet zien. Aan het eind van de bijeenkomst zou een lied gespeeld worden op verzoek van haar; gevraagd werd of degenen die het lied kenden, mee wilden zingen. De broer zette in. “De steppe zal bloeien.”
Niemand zong. Dat vond ik erg, dat niemand, niemand de moed kon opbrengen het verzoek van de weduwe in te willigen. Terwijl ongetwijfeld meerderen het lied kenden. De laatste noten van de melodie verstierven en het bleef stil.

Bij het opstellen van de stoet zag ik haar. De weduwe. Bij zo’n bijeenkomst krijgt zo iemand een bepaald aura, iets koninklijks. De meest naaste geliefde van de overledene. Degene die achterblijft. Een mooie vrouw. Niet overmand door verdriet, maar evenwichtig, rustig, berustend.
Ik herinner me een uitvaart, lang geleden. Eén van de dochters was bij het uitgaan van de kerk nauwelijks in staat op de benen te blijven, verscheurd door verdriet. Soms droom ik wel eens van zulk een intense smart. Diep verdriet om iets onbekends, onverklaarbaars. Dat je doet ontwaken met een bittere smaak en het gevoel dat je heel lang hebt gehuild, terwijl het daglicht voorzichtig aan de kim verschijnt en de dag als het ware in alle rust begint. Een gevoel dat je de hele dag niet loslaat en je nodeloos kwetsbaar maakt.

Eenmaal op de begraafplaats zelf zou de familie als laatste afscheid nemen. De aanwezigen, waarvan de meesten aan het verzoek hadden beantwoord één bloem mee te brengen, zouden die ieder op de kist leggen. Een emmer met rozen stond klaar voor hen die dat wilden.Ofschoon er vier dragers ter beschikking stonden, werd de kist op een karretje geplaatst waarmee naar het graf gereden zou worden. Zelf vind ik dat erg onpersoonlijk. Wat is er mooier als laatste gebaar, als laatste moeite, de overledene op de schouders te nemen en gezamenlijk uit te dragen? Het liefst door kinderen, broers of vrienden. In dit geval werd het werk uitbesteed aan de kleinkinderen, die zo opa naar zijn laatste rustplaats duwden. Dat maakte veel goed.

De kist werd boven de opening in de grond geplaatst (op de graflift) het bloemstuk van zijn vrouw en nazaten er op, met de linten sierlijk gedrapeerd, waarna het defilé zou beginnen. Na de eerste roos kwam de herziening. Het bloemstuk werd terzijde gelegd, de kist ging omlaag, waarna de bloemen door de omstanders in het graf werden geworpen. Het kwam wat onbeholpen over, zonder de efficiëntie die je van een begrafenisondernemer mag verwachten.

Wij waren één van de eersten geweest. We hoefden niet te wachten. Langzaam liepen we terug. Voor ons uit liep de man van de begraafplaats, die de kist had laten zakken. Wanneer wij stopten om een steen te lezen, stopte hij ook. Zo kregen we het idee dat we met een persoonlijke lijfwacht over de begraafplaats liepen. Dat is een leuk gevoel.
Het was inmiddels in de middag, de zon scheen, de rust rondom voelbaar en we wandelden op ons ‘dooie akkertje’ en in ons goeie goed met een lijfwacht naar de uitgang. Wat kan een mens eigenaardige gedachten krijgen, maar zo’n begeleiding naar buiten is beter dan de vorstelijkste begeleiding naar binnen. Al gun je ieder uiteindelijk een eervol en betrokken afscheid.

 

In 2006 is het lied ‘De steppe zal bloeien’ van dichter Huub Oosterhuis en componist Antoine Oomen uitgeroepen tot het mooiste religieuze lied. De luisteraars van de NCRV-radioprogramma’s Te Deum Laudamus en Schepper & Co plaatsten dit ‘Lied van de opstanding’ op de eerste plaats van hun top 10. Het lied staat als nr. 49 in de aanvullende liedbundel Tussentijds (2005). De tekst van het lied is gebaseerd op Jesaja 35.

De steppe zal bloeien.
De steppe zal lachen en juichen.
De rotsen die staan
vanaf de dagen der schepping,
staan vol water, maar dicht,
de rotsen gaan open.
Het water zal stromen,
het water zal tintelen, stralen,
dorstigen komen en drinken,
de steppe zal drinken.
De steppe zal bloeien.
De steppe zal lachen en juichen.

De ballingen keren.
Zij keren met blinkende schoven.
Die gingen in rouw
tot aan de einde der aarde,
één voor één, en voorgoed,
die keren in stoeten.
Als beken vol water,
als beken vol toesnellend water,
schietend omlaag van de bergen,
als lachen en juichen.
Die zaaiden in tranen,
die keren met lachen en juichen.

De dode zal leven.
De dode zal horen: nu leven.
Ten einde gegaan
en onder stenen bedolven:
dode, dode, sta op,
het licht van de morgen.
Een hand zal ons wenken,
een stem zal ons roepen: Ik open
hemel en aarde en afgrond
en wij zullen horen
en wij zullen opstaan
en lachen en juichen en leven.

Advertenties