Roua Aelohim Aour

paardebloem1Op een moment, lang geleden, een moment dat geen bestaan kende omdat tijd nog geen aanvang had genomen – tijd bestaat niet; er is voor haar geen verleden om vandaan te komen – werd er iets in gang gezet dat te snel en veelomvattend is om in woorden uit te drukken. In drie minuten werd 98 procent geproduceerd van alle materie die er ooit is of ooit zal zijn.

Reeds in de eerste, heel erg levendige seconde zijn de zwaartekracht en de andere krachten die de natuur bepalen ontstaan. In minder dan een minuut kreeg het heelal een doorsnede van eenmiljoen maal eenmiljard kilometer (ongeveer) en groeide met de seconde. (Het moest ook wel snel gaan, omdat anders het licht de grenzen al zou bereikt hebben of de grenzen van dit uitdijende heelal zou overschrijden en daarmee buiten het universum zou treden.)

Volgens deskundigen die het kunnen weten, is de opbouw van het universum en van het leven zoals we dat kennen volgens een logisch proces verstreken. Na de oerknal, de vorming van het universum en de vorming van de aardbol ontstond er achtereenvolgens uit de chaos vast land, primitief leven, plantengroei, zeedieren, vogels, kruipende en wilde dieren en tenslotte de mens. Een opbouw van complexiteit in het leven.

Het verhaal over het begin is ons van jongsaf verteld. Aan ons, onze ouders, onze grootouders, eeuwenlang en geslachtenlang. Ver voordat er wetenschappers waren die woorden als evolutie, oerknal, atomen, moleculen, genen, zwaartekracht of … uitspraken. Vierduizend jaar geleden werd het verhaal van de opbouw van het universum en van het leven zoals we dat kennen verteld en – oh wonder – volgens hetzelfde principe als de wetenschap tegenwoordig verklaart.

Sommigen doen dat oude verhaal af als een sprookje. Maar ergens hadden de ‘ouden’ hun kennis vandaan….. Ze gebruikten andere bewoordingen, want ze kenden geen atomen, moleculen, genen… Ze vertelden het in de context van hun tijd en hun bevattingsvermogen. Maar ze vertelden feitelijk geen ander verhaal dan wij onze kinderen vertellen.

“In beginsel schiep God de hemelen en de aarde”. Maar deze hemelen waren aanvankelijk slechts de uitdrukking voor tijd en grenzeloze ruimte, bewoond door ledigheid en stilte. “En de adem van God zweefde boven de afgrond.”

Rouah Aelohim, de adem van God, duidt figuurlijk aan een beweging naar ontwikkeling, de uitzetting. Het is, in een hiëroglyfische betekenis, de tegengestelde kracht van die der duisternissen.
Terwijl het woord duisternis een samentrekkende kracht uitdrukt, betekent het woord rouah een uitzettende kracht. Men zal in beide het eeuwige stelsel vinden van twee tegengestelde krachten, die de wijzen en geleerden uit alle eeuwen, vanaf Parmenides en Pythagoras tot aan Descartes en Newton hebben waargenomen en verschillende namen gegeven.

Wat komt allereerst ‘uit zijn schoot’ tevoorschijn? Een zon? Een aardbol? Een nevelster? De een of andere stof van deze zichtbare wereld? Nee. Wat door hem wordt voortgebracht is Aour, het Licht. Doch dit licht is niet het stoffelijk, maar het geestelijk licht, het licht dat was vóór het licht van alle zonnen en dat ook daarna zal zijn. Eerst breidt het zich uit in de Oneindigheid, het is de machtige uitademing van God; daarna keert het tot zichzelf terug door een uiting van liefde, de diepte inademing van de Eeuwige.

In de golven van de goddelijke ether trillen – als onder een doorschijnende sluier – de astrale vormen der werelden en wezens. En dat alles laat zich samenvatten in de woorden Roua Aelohim Aour.
“Daar zij licht; en daar werd licht.” De adem van Aelohim is het Licht! En uit de schoot van dit oorspronkelijk, onstoffelijk licht komen de eerste zes ‘dagen’ van de schepping te voorschijn, dat wil zeggen de gehele opbouw der ons bekende wereld.

Adem – Aelohim – Licht. Deze drie namen zijn de korte samenvatting van het tweede en derde vers van Genesis. Ziehier – in latijnse letters – de hebreeuwse tekst van het derde vers: Wâ, -iaômer Aelohim iêhi- aoûr, wa iêhi- aoûr. En dan de letterlijke vertaling, die de franse filosoof, historicus en filoloog Antoine Fabre d’Olivet (1767 – 1825) er van geeft: “En Hij, het Wezen der wezens sprak: daar zij licht; en daar werd licht (de geestelijke vorming der hoofdstoffen).”
Het woord roua, dat uitademing betekent, bevindt zich in het tweede vers. Merk op dat het woord aour, dat ‘licht’ wil zeggen, het omgekeerde van roua is. De goddelijke adem tot zichzelf weder teruggekeerd, schept het geestelijk of verstandelijk licht.

Gods adem. Dat klinkt toch veel mooier dan oerknal?

Advertenties