Vita Brevis

Vita Brevis door Annemarie PetriHet leven is zo kort en de dood lang. Het is voor mij onbegrijpelijk dat mensen elkaar op die korte levensweg naar het einde elkaar zo neertrappen. Elkaar zo dwarszitten waar ze elkaar tot hulp kunnen zijn, elkaar kunnen oprichten in moeilijke tijden. Waar ze mededogen en barmhartigheid kunnen betonen, zo ze de kunst verstonden.

Allen gaan naar hetzelfde doel en allen kennen in de kern dezelfde moeilijkheden die het leven meebrengt. De grootste opgave voor een mens is te leren kijken buiten de eigen gezichtskring. Te realiseren dat ons persoonlijke universum, waarvan we zelf het middelpunt zijn, is verbonden met alle tijdgenoten die op ons pad komen. Samen vormen we de draden van een kleed en hoewel ieder van ons een schitterende en gelijk onmisbare draad is, hebben we vaak zo weinig oog voor de onmisbare naaste draad.

Een waarheid die niet afhangt van je geloofsovertuiging. Voor wie niet gelooft aan een leven na de dood, is het leven lang genoeg en de dood kort noch lang. Iets dat niet bestaat heeft geen duur. Eigenlijk is het maar een moment: het sterven. Waarmee het leven eindigt.

Sterven is een proces van elke dag, want elke dag wordt ons een deel van ons leven ontnomen. (…) Zelfs de dag van vandaag delen we met de dood. Zoals een waterklok niet leegloopt door de laatste druppel, maar door alles wat er eerder is uitgestroomd, zo is ons stervensuur niet het uur dat verantwoordelijk is voor onze dood, maar alleen het uur dat de dood doet intreden. Op dat moment bereiken we de dood maar we waren allang onderweg.
Dat schreef Seneca over het sterven.

Toon Hermans schreef iets vergelijkbaars.

Sterven doe je niet ineens,
maar elke dag een beetje.
En alle beetjes die je stierf,
’t is vreemd, maar die vergeet je.
Het is je dikwijls zelfs ontgaan,
je zegt: ‘Ik ben wat moe!’
Maar op een keer,

dan ben je aan het laatste beetje toe.

Vanaf onze eerste ademtocht zijn we sterfelijk. Mijn tante placht te zeggen “Je hebt je adem maar in je neus”, waarmee ze bedoelde dat we ons niet groter moeten voorstellen dan we zijn. Kwetsbaar, een zuchtje.
Het is niet opwekkend te beseffen dat we midden in het leven in de dood staan. Aan de andere kant kan dit besef er voor zorgen dat we bewuster en intenser leven. Leven alsof elke dag je laatste is. Elke dag kán je laatste zijn. (Op een dag is het zo.) Steve Jobs formuleerde het als: “als vandaag de laatste dag van mijn leven is, zou ik dan hetzelfde doen als datgene dat ik vandaag van plan ben te doen? En als het antwoord twee dagen achter elkaar ‘nee’ was, wist ik dat ik iets moest veranderen.”

Vita brevis ars longa.
Dat was de betekenis van de naam van klokkenfabriek Vibal. De goedlachse en gezette Ed van Campen uit Purmerend leverde al jaren de klokken aan mijn vader en op een goede dag was hij voor zichzelf begonnen. De notaris had hem gevraagd hoe zijn nieuwe bedrijf zou heten. Tsja…. Waarop de notaris zei “Vita brevis, ars longa, het leven is kort, de kunst duurt lang.”
Op een of andere manier paste ‘Vibal’ prima bij een klokkenbedrijf.
Wanneer mijnheer van Campen kwam, was het altijd feest. In zijn varkensleren koffertje zat meestal een ‘rolletje’ Fruitella voor ons. Purmerend had zowiezo al iets magisch; op de step naar Purmerend, het was iets wonderbaarlijks, een reis vol beloften. Net zoals de kat van ome Willem die naar Parijs was geweest. Parijs. Purmerend.

Jarenlang kwam mijnheer van Campen met dat koffertje, totdat het versleten was. Mijn vader wilde het wel hebben, hij kreeg het. Hij knapte het op. Stalen hoekjes, ledervet, handvat. Het resulteerde in een bijna emotionele reactie vol spijt toen de heer van Campen het koffertje weer zag. Maar ook blijdschap met het tweede leven van zijn dierbare reisgezel.
Hij vertelde eens dat hij bij elke eerste kennismaking bij een bedrijf altijd een bolhoed ophad. “Dan vergeten ze je nooit meer.”

Op een zondagmiddag in oktober 1980 werd op de Maas tussen Dordrecht en Zwijndrecht de veerpont overvaren door een binnenvaarttanker.
Wanneer op korte afstand helicopters overvliegen en sirenes hoorbaar zijn, ga je kijken wat er aan de hand is. Mijn vader, zus en ik stonden aan de rivier, zagen de op zijn kop en half gezonken veerpont in het water en we hoorden en spraken omstanders. Kijkers zoals wij.
Toen we thuis kwamen, zei mijn moeder “Mijnheer van Campen heeft gebeld. Om te vragen of alles goed gaat bij ons.” Kijk, zo was hij ook. Op de televisie was het nieuws al gemeld, en zijn eerste gedachten golden ons.

Bij ons ging alles goed. Niet in de gezinnen van zeven omgekomen opvarenden. Dat hoorden we later. Eén van hen was een verpleegster uit het dordtse ziekenhuis. ‘Natuurlijk’ had ze een dienst extra waargenomen waardoor ze niet op haar gebruikelijke tijd eindigde. Edith was op het moment van de aanvaring ruggelings in de machinekamer gevallen, waarvan de deur aan dek altijd openstond.
Op haar rouwkaart stond een foto die zijzelf kort daarvoor had genomen van een populier. Deze boom werd omgezaagd op last van de pastoor omdat – naar men zei – de boom hoger was geworden dan de kerktoren. Bij de foto had Edith geschreven: ‘Hij werd plotseling het leven benomen”. (Ja, het moest zijn ‘hem werd plotseling het leven benomen’, maar niet iedereen is even goed in taal.)
Deze tekst stond dus ook op haar kaart. Een prachtige maar ironische symboliek.
Zij stierven niet elke dag een beetje. Zij stierven in één keer. Toon Hermans ten spijt. Zij werden weggerukt, zoals dat heet.

Zo niet mijnheer van Campen. Op een kwade dag lag de levenslustige man dood op zijn hotelbed, ergens in het oosten van het land. Het trieste einde van de ‘klokkenboer uit de Beemster’, zoals hij zelf wel eens schertsend zei. Het leven is kort.
Zijn klokken droegen vaak een dergelijk opschrift mee. ‘Tempus fugit’.
‘Tempus miscet tristitia laetis’.
“Beidt uw tijd” zei mijn vader. Bijt uw tijd, dacht ik vaak. Verschilt het veel met het ‘carpe diem’ van de wellicht wat levenslustiger ingestelden?
‘De tijd mengt vreugde en verdriet’ en ene Phaedrus verwoordde het als ‘Men moet zich met mate verheugen, en niet vlug zijn met klagen, want ons ganse leven is een vermenging van smart en vreugde’.

”Time like an everrolling stream
Bears all its sons away.
They fly forgotten as a dream
Dies at the opening day.”

“Als een steeds voortbruisende stroom
Draagt Tijd al zijn zonen weg.
Zij vlieden: vergeten als een droom,
Die wegsterft wanneer de dag gaat gloren.”

Advertenties