Ethiek bij Albert Schweitzer

Schweitzer_420x322

Medelijden is lijden. Wie eens het lijden der wereld in zich ervaart, kan niet meer gelukkig zijn in de zin waarop een mens dit wenst. In de uren, die hem tevredenheid en vreugde brengen is hij niet in staat zich onbevangen aan de behagelijkheid over te geven, maar is het lijden, dat hij mee beleeft, aanwezig. Hij denkt aan de armen, die hij heeft ontmoet, de zieken, die hij heeft gezien, de mensen over wier nood hij heeft gelezen – en de duisternis valt over zijn lichte vreugde.

Schweitzer maakte de gedachte van het offer tot ethisch principe. “Als het ‘ja’-zeggen tegen het leven echt is, zal het van allen eisen, dat zij een deel van hun eigen leven aan anderen wijden.”
Net als bij Gandhi ligt zijn kracht in het vermogen om afstand te doen. Schweitzer was in staat een identificatie met andere mensen te gevoelen in de diepste grond. Hiermee oefende hij een grotere macht uit dan duizenden gewapenden in de strijd.

Voor Albert Schweitzer was het geloof in God en in Christus een waarheid en een uitgangspunt. Voor de ‘moderne’ mens, die niet meer zo gelooft in de christelijke waarheid, en die vaak met het badwater ook het hele kind weggooide, is echter de kern van de zaak dezelfde. We weten innerlijk heel goed wat goed en wat slecht is, wat zelfhandhaving en wat opoffering is. Het punt is, of we onszelf uit het middelpunt van het universum kunnen halen, waarin we menen dat we staan.

In de geloofstermen gesteld die voor Albert Schweitzer leidend waren: ‘Met Christus gestorven zijn’ betekent gestorven zijn aan de zonde van het eigen ik en het opstaan tot de dienende liefde jegens de naaste. Schweitzer is bewust ook zelf deze weg gegaan en heeft het offer gebracht van zijn leven, als de enige weg tot verwezenlijking van het Goddelijke op aarde. Daarom kon hij zeggen, dat het Jezus was, die hem naar Afrika zond.

Na de eerste wereldoorlog stelde Schweitzer zichzelf als cultuurfilosoof de vraag naar de oorzaken van deze catastrofe. Hij schreef zijn grote cultuurfilosofie: ‘Verfall und Wiederaufbau der Kultur’ en ‘Kultur und Ethik’.
Allereerst zag hij zich als mens in een bepaalde wereld gesteld, hij was in staat die wereld kritisch te beoordelen. Daarnaast echter was hij verplicht haar te beïnvloeden door – hoe bescheiden dat voorbeeld ook mocht zijn – te zijn wat hij dacht. Dat denken kon alleen zedelijk gericht zijn; Schweitzer wilde niet in de fout vervallen van hen, die met een cultuur zonder ethiek uit wilden komen.
Pessimistisch is Schweitzers cultuurfilosofie in haar kritische ontleding van de eigen tijd: de geschiedenis van onze tijd is van een voorheen nog nooit bereikte onzinnigheid.
Optimistisch is hij wanneer hij in enkele woorden het vermanend en bevrijdend parool wist te formuleren, dat tegelijk antwoord en opdracht is: eerbied voor het leven.

“Ik ben leven, dat leven wil temidden van leven, dat leven wil.” Deze simpele ethiek is leidend bij wie zich bewust is van het bestaan.
In de wereld zien wij naast de scheppingskracht ook de vernietigingswil, wij zien opoffering en zelfhandhaving, maar onze mystieke en ethische plicht bestaat daarin dat wij de zelfhandhaving en zelfvolmaking tot een minimum beperken en onszelf, offers brengend, geven aan anderen. Dan pas zijn we anders dan de wereld, dan pas vrij, dan pas licht dat in de duisternis schijnt, dan pas verlost. Voor wie gelooft (stelde Schweitzer), is de ethiek van eerbied voor het leven ook de ethiek van Jezus, de brug van filosofie tot evangelie.

De moraal van deze ethiek luidt: Goed is leven in stand houden, bevorderen; leven, dat voor ontwikkeling vatbaar is tot zijn hoogste peil opvoeren. Slecht is leven vernietigen, het nadeel toebrengen, leven dat voor ontwikkeling vatbaar is te remmen.
Dat is een ethiek waar ook een ‘niet-gelovige’ mee uit de voeten kan.

Altijd zal de mens moeten weten wat hij doet, ook als hij in zijn oog lager leven vernietigt omdat het niet anders kan; want er blijft schuld in, waar geen mens aan ontkomt.
“Er is niets ergers dan een goed geweten, want dat betekent dat wij niet beseffen hoe vaak wij, om zelf te bestaan, ander leven moeten doden. Ook onnadenkendheid is schuld.”

Schweitzer maakte zich geen illusies dat deze ethische eis moeilijk te verwerkelijken is, maar hij bleef in de toekomst van de mensheid geloven, omdat hij geloofde in de geest. Slechts in de denkende mens is de wil tot het leven bewust geworden en hij streeft dan ook naar solidariteit ermee. Dit kan hij echter niet volledig doorvoeren, omdat ook de mens onderworpen is aan de meedogenloze wet, dat hij voortdurend weer schuld op zich moet laden ten koste van ander leven. Als ethisch wezen streeft hij er echter naar, deze noodzakelijkheid, overal waar het mogelijk is, te ontvluchten…. Hij dorst ernaar, zijn humaniteit te mogen bewijzen en verlossing van lijden te brengen.

Schweitzer was bezig een boek te schrijven over het Koninkrijk Gods. Toen echter zijn vriend Albert Einstein hem op zijn sterfbed liet beloven dat hij voor alles zou strijden tegen het grootste gevaar van de moderne tijd: de atoombewapening omdat dit de mensheid vernietigend bedreigt, heeft Schweitzer zich van zijn theologische en wijsgerige studies afgewend en het vraagstuk der kernsplitsing onder handen genomen. In publicaties wees hij al op de ontzettende gevolgen van de afvalstoffen voor het nageslacht.
Hij stelde daarbij, dat geloof in het Koninkrijk Gods betekent geloven in het onmogelijke – de overwinning van de geest der wereld door de Geest van God.

Dat is één van de geheimen van Albert Schweitzer, een vreemdeling in onze eeuw die zijn weg ongestoord ging, doende hetgeen waarvan hij vond dat hij het moest doen, onbekommerd om de geest van de tijd, en tegelijkertijd een richtingwijzer.
Het is verbazend dat iemand van zo symbolische betekenis werd, voor onze tegenwoordige tijd, terwijl zijn wortels duidelijk in de 19e eeuw liggen en welke tijd met de eerste wereldoorlog onherroepelijk te gronde ging, iemand die als mens niet typerend is voor de 20e eeuw maar die toch het symbool werd van die eeuw.

Zelf formuleerde hij het – onbewust – treffend na het nieuws dat hij de Nobelprijs voor de Vrede zou krijgen: “Als ik het goed begrijp heb ik deze onderscheiding te danken aan het feit, dat ik eerbied voor het leven in het gedachtenleven van onze tijd heb geïntroduceerd. Het was hier in Lambarene, dat ik het belang ervan ontdekte. Ik ben er van overtuigd dat de idee zal bijdragen tot de groei van een geestelijke en morele beschaving, waarvan de vrede en de toekomst van het mensdom zullen afhangen.”

……

“De wereld blijft een mysterie, het raadsel is er niet uit weg te denken. Op te lossen is dat raadsel alleen door de morele mens die zich op zijn verhouding tot de wezens om hen heen bezint. Wij en zij blijken door dezelfde vreugden en droefenissen bezield….. Respecteer die, leef erin mee; kwaad is wat het leven schendt en vernietigt. Onze verantwoordelijkheid strekt zich tot alle wezens uit. Alle leven heeft waarde in zichzelf; baseer uw moraal op eerbied voor dat leven. Zie af van een makkelijk, een niets-ontziend, een lichtzinnig leven, dan veranderen mensheid en wereld, dan komen wij tot de ware beschaving en tot die vrede waaraan die beschaving ten grondslag ligt.”
 
“De ethiek van de eerbied voor het leven is de (tot het universele uitgebreide) ethiek der liefde. Alle geestelijke leven treedt ons in het natuurlijke leven tegemoet. De eerbied voor het leven geldt het natuurlijke en het geestelijke leven in gelijke mate. De man in de gelijkenis van Jezus redt niet alleen de ziel van het verloren schaap, maar het hele schaap.
Alle leven is de waarlijk ethische mens heilig, ook het leven dat wij van menselijk standpunt bezien van lager orde achten. De mens is pas ethisch, als hem het hele domein van het leven heilig is, dat van de plant, zo goed als dat van het dier en de mens, en hij bereid is hulp te bieden aan leven, dat in nood verkeert.”

“Wij zijn opgeroepen tot zelfstandig denken, tot verantwoordelijkheid voor elkaar en tot ethisch handelen. Wij hebben overal gelegenheid onze menselijkheid te tonen, als wij dat wérkelijk willen. De voornaamste plicht van de mens is: steeds menselijker te worden.”

Advertenties