Zien (2)

optische-illusie-2012-01-06Het schijnt dat, toen de portugese ontdekkingsreiziger Ferdinand Magellaan (Magelhaen, Magalhaes) Vuurland ontdekte, de lokale Indianen wilden weten hoe hij daar gekomen was. Logische vraag, wanneer je alleen je eigen volk gewend bent en opeens staan daar vreemde mannen in vreemde kleren met vreemde spullen. Magelhaen wees op zijn schepen (het vlaggeschip de Trinidad, de San Antonio, de Concepción, de Victoria en de Santiago. De Trinidad was een karveel, de anderen kraken.
Maar dat terzijde.)
Hij wees dus op zijn schepen als antwoord, maar de Indianen begrepen het niet. Blijkbaar kenden ze geen schepen, dus ze konden zich ook niet voorstellen dat die hutten op het water varen konden. Ze zagen eenvoudigweg geen schepen. Pas toen ze meegenomen werden aan boord, begonnen ze te begrijpen wat die schepen eigenlijk inhielden.

Of het werkelijk zo ging, weet ik niet. Ik heb gezocht, maar het verhaal niet kunnen verifiëren. Desondanks, het is goed mogelijk en te mooi om niet te vertellen.
Wij doen niet anders. Bij alles wat we zien of meemaken, trekken we associaties met ons bekende dingen. Een mens wil alles begrijpen en verklaarbaar maken, dat geeft een gevoel van controle. Soms worden we geconfronteerd met nieuwe zaken, die we niet kennen.
Wij zien direct wanneer we ergens binnenkomen of er een iPad op tafel ligt en hoe groot het plasmascherm van de televisie is. Wanneer onze overgrootouders in onze huiskamers van nu zouden kunnen kijken, zouden ze die spullen niet eens opmerken. Hooguit een ondoorzichtige vitrinekast en een stuk glas of een fotolijstje op tafel.
Als wij door een spannend toeval worden ontvoerd door buitenaardse wezens, is het eerste dat we bij terugkomst vertellen, dat ze daar ook slagroomtaart eten.

Het leukste vind ik het voorbeeld van een oerwoudbewoner die bij wijze van experiment werd geplaatst in Singapore. Hem werd naderhand gevraagd wat hem het meest had beïndrukt (om maar eens een fijn germanisme te gebruiken).
Niet de hoge gebouwen, niet het gemotoriseerde verkeer, niet de drukte in de straten. Hij zei zich verbaasd te hebben over het feit dat één man zoveel bananen ineens kon dragen!

Wat die man gezien had, bleek dus in de eerste plaats een bananenventer te zijn die op zijn kar vele trossen bananen tegelijk vervoerde. Verder zag hij vrijwel niets.
Omdat  auto’s en stenen huizen voor hem geen betekenis konden krijgen, werden zij ook niet of nauwelijks waargenomen. Anders gezegd: de manier waarop de oerwoudbewoner gewend was te kijken naar de dingen om zich heen, zette hij in Singapore verder. Op die manier verscheen de wereldstad op een wijze zoals velen onder ons die nog nooit gezien hebben en nooit zullen zien.

Moeilijker wordt het wanneer we moeten interpreteren wat een ander zag. Wanneer die ander uit een andere cultuur komt of in een andere tijd leefde, liggen de belevingswerelden ver uit elkaar.
Ooit leefde er een ziener op Patmos die zijn visioenen te boek stelde. Wat hij zag, waren gebeurtenissen in een verre toekomst. Wellicht werd hij geconfronteerd met vreemde beelden, maar hij beschreef ze met de kennis die hij had en vanuit de cultuur die hij kende. Dat is een aspect wat niet moet worden vergeten tijdens het lezen in de Openbaringen aan Johannes. (Hetzelfde geldt voor de profeet Daniël.)

Lang geleden gaf de koning van Sravasti in India één van zijn dienaren de opdracht om alle mensen in de stad die blind geboren waren, bijeen te brengen. Toen de dienaar dit gedaan had, vroeg de koning hem een olifant te brengen. Een aantal blinden liet hij de kop van de olifant voelen, een andere groep het oor, enzovoort, zodat tenslotte alle blinden in aanraking waren gebracht met een bepaald deel van het dier.
Toen ging de koning naar de blinden toe en zei: “En, hebt u de olifant betast?”
“Jazeker majesteit,” was het antwoord.
“Vertel me dan eens, wat is een olifant voor iets?”
Degenen die de kop hadden betast, beweerden nu dat de olifant net een grote waterput was. Degenen die het oor hadden gevoeld, zeiden dat hij een soort zeef was; zij die de slagtand hadden gevoeld, verklaarden dat het een soort ploegschaar was. De slurf was een ploeg, de romp een graankist, de poot een zuil, de staart een stamper, de pluim van de staart een bezem.
En toen begonnen ze met elkaar te redetwisten en te schreeuwen: “Nee, zo ziet een olifant er helemaal niet uit!”…. “Wel waar!”…. en tenslotte raakten ze slaags.’ (Soefi-verhaal uit de 12e eeuw)

De moraal van het verhaal is, dat het beeld dat we vormen van de werkelijkheid op basis van onze zintuiglijke waarnemingen beperkt is, en dat het een illusie is te menen dat de waarheid die wij ervaren ‘de waarheid’ is.
De blinden wisten niet dat ze maar een deel van een groter geheel betast hadden. Bovendien vertaalden ze het naar een bekend beeld uit hun cultuur, zoals een ploeg, graankist of zuil. Ieder had voor zich gelijk in zijn stelling. Samen hadden ze ongelijk. Des te meer een mens weet van diverse wetenschappen, des te groter wordt zijn beeld van de werkelijkheid.

Veel mensen hebben ook niet door dat ze vaak maar een onderdeel waarnemen, dat de waarneming onderdeel is van een groter geheel. Bovendien hebben onze hersenen de drang om de vorm af te maken en in te vullen op een voor ons logische manier.
Dat geldt ook voor tekst. In deze zin ztiten een praa opztetelijke schijrffoutne, terwijl de zin toch zonder veel moeite te lezen is. De lezer leest niet letters, maar woorden, en het woordbeeld wordt weliswaar aangetast, maar blijft toch goeddeels behouden. Blijkbaar kan de lezer met minder informatie toe, en ook weglating van letters is soms mogelijk, ook al spreken we dan van een “spelfout”.
Volgens een Engels onderzoek maakt het niet uit in welke volgorde de letters in een woord staan; het einge wat blegnaijrk is, is dat de eretse en de ltaatse ltteer op de jiutse patals saatn.

Advertenties