Zien (1)

vorm_Escher1940-1968“Een ooggetuige die honderd procent zeker weet wat hij heeft gezien.” Dat werd van de week nog gezegd op de televisie naar aanleiding van de zaak Natalee Holloway. Meestal klopt dat wel. Iemand weet wat hij ziet. Toch is het niet altijd zo eenvoudig. Hoe weet je iets zó zeker dat er absoluut geen twijfel aanwezig is?

Bekend zijn de voorbeelden van getuigen van een misdaad of een ongeluk. Mensen hadden het voorval zien gebeuren, maar ieder heeft een andere perceptie, ieder let op andere details en vaak worden ontbrekende stukken – onbewust – aangevuld door de hersenen. Sterker, op basis van suggestie kan men overtuigd raken van details die er echt niet waren. Interessante materie voor advocaten!

Het is geschat dan 75% van de informatie dat de hersenen bereikt binnen komt door de ogen. Tevens gaat 38% van de binnenkomende of vertrekkende signalen in het centrale zenuwstelsel via de optische zenuw. Hedendaags onderzoek geeft aan dat de ogen 100 miljoen sensoren hebben in het netvlies en slechts 5 miljoen kanalen van het netvlies naar de hersenen. Dit betekent dat meer informatieoverdracht wordt uitgevoerd in het oog, vergeleken met in de hersenen, en zelfs het oog filtert de informatie. Het eerste dat we moeten erkennen, is dat we niet gewoon ‘zien’, maar dat we moeten leren hoe we moeten kijken en wat we zien. We kunnen niet onze aandacht verdelen over alles wat zich om ons heen bevindt; op de één of andere manier selecteren we bepaalde dingen waar we naar kijken. Wat we vervolgens besluiten te zien, is bepaald door wat we weten, geloven en wat we willen zien (A.A. Berger, 1989, Seeing is believing; an introduction to visual communication).

Ondanks het feit dat we objectief meetbare prikkels gewaarworden, maken wij door het proces van verwerking van de waarneming onze eigen werkelijkheid. Wij zijn er trouwens rotsvast van overtuigd dat wat wij waarnemen juist is. We zien toch wel wat we zien. Toch is dit niet altijd het geval.
De onderzoekers Elizabeth Loftus en John Palmer onderzochten in het begin van de jaren zeventig de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen na een ongeluk.
In een eerste experiment werden aan twee groepen deelnemers zeven verschillende films vertoond die alle over een verkeersongeluk gingen. Daarna moesten zij enkele vragen beantwoorden. Groep A kreeg de vraag ‘Hoe snel reden de auto’s ongeveer toen ze tegen elkaar te pletter sloegen?’
Groep B kreeg de vraag ‘Hoe snel reden de auto’s ongeveer toen ze tegen elkaar botsten?’
Groep A schatte de snelheid gemiddeld 16 kilometer hoger in dan groep B.

In een tweede experiment kregen de deelnemers een film te zien waarbij meer auto’s betrokken waren. De film toonde hoe door een manoeuvre van een bestuurder vijf auto’s bij een kettingbotsing betrokken raakten. Ook na deze film werden aan de deelnemers vragen gesteld; dezelfde vragen met – uiteraard – dezelfde uitkomst. Maar een week later kwamen de deelnemers terug en beantwoordden zonder eerst de film te bekijken een reeks vragen over het experiment. Eén van de vragen was: ‘Zag je de gebroken ruiten?’
Van groep A zei 32% dat ze gebroken ruiten hadden gezien; van groep B slechts 14%.
Als je nu weet dat er helemaal geen gebroken ruiten te zien waren, dan kun je concluderen dat het subtiel verwoorden van de vragen alleen al de waarneming van de ooggetuigen beïnvloedt en ze zich daardoor zaken ‘herinneren’ die in werkelijkheid niet plaatsvonden.

Dit onderzoek had zijn belang voor de hedendaagse bevindingen voor wat betreft getuigenverklaringen bij een misdaad. De klassieke identificatiemethoden van misdadigers door getuigen leveren vaak weinig betrouwbare informatie op. De waarnemingen kunnen worden beïnvloedt, bijvoorbeeld door een woordje van goedkeuring of aanmoediging door een agent. Getuigen worden niet alleen overtuigd van hun gelijk, vaak kleuren ze de omstandigheden van de getuigenis positief bij om deze aanvaardbaar te maken.

Ook de eigen culturele achtergrond of persoonlijke overtuigingen spelen een rol. Een religieus iemand schrijft onverklaarbare zaken eerder toe aan een wonder dan een atheïst. Onze ‘belevingswereld’ is leidend. Zelfs de spellingscontrole op onze pc is zo goed als zijn eigen kennis. En ook die blijft volhouden dat hij gelijk heeft.

Advertenties