Hubert

25gulden_1937_voorkantEen poosje terug ontmoette ik een man met de naam Hubert, met wie ik al gauw een diepgravend gesprek had. De aanleiding was een eurobiljet. Terwijl hij daarop wees zei hij: “Dat is geen geld hè.”
Ik keek naar het biljet en hij vervolgde: “Dat is een betaalmiddel. Het is slechts een papiertje. We hebben afgesproken dat het een bepaalde waarde vertegenwoordigt, maar zonder het vertrouwen in die afspraak is het waardeloos papier.”

Ik kon hem geen ongelijk geven. Dat had hij ook niet. Ik dacht aan mijn vader die vele rollen zilveren guldens en rijksdaalders had bewaard, nadat in 1967 het muntgeld niet langer van zilver was maar van nikkel. Nog verder terug kwam het beeld van minister-president Colijn tevoorschijn, die in 1936 uiteindelijk de gouden standaard losliet, dat wil zeggen dat hij de gulden loskoppelde van het goud. Devaluatie zou de export stimuleren en daarmee de economie, was de gedachte.
Tot die tijd was al het geld dat in omloop was, gegarandeerd door de Nederlandse Staat. Men wist dat dezelfde waarde in goudstaven in de kluizen van de Nederlandse Bank lag. (‘De totale waarde van het uitgegeven geld was gelijk aan de totale hoeveelheid goud van de centrale bank.’) Zo kon een land nooit failliet gaan.

Toen in 1795 Franse troepen Nederland bezetten namen zij als betaalmiddel assignaten mee, die door de Franse staat in goud gedekt zouden zijn. Soldaten bijvoorbeeld ‘betaalden’ in Nederland met zo’n papiertje in plaats van het vertrouwde geld en de afspraak was dat de keizer wel voor de waarde in goud zou zorgen die het papiertje vertegenwoordigde. Helaas kwam hier niets van terecht en bleef men in Nederland met grote stapels waardeloos papier zitten. Het gevolg was dat in Nederland het vertrouwen in bankbiljetten weg was. Pas na de Eerste Wereldoorlog zou dit weer bijdraaien.

Hoewel…. in de jaren vóór de Eerste Wereldoorlog was zowel in Duitsland als in Frankrijk het goud zoveel mogelijk aan de geldcirculatie onttrokken en door papiergeld vervangen. Ambtenaren van beide landen ontvingen sinds 1911 bij de uitbetaling van hun salarissen geen goudgeld meer. Toen Albert Schweitzer in 1913 naar Afrika reisde, nam hij zijn geld zoveel mogelijk in goudstukken mee en terecht, zo bleek later. Met papiergeld werden kamers behangen, dat was goedkoper dan behang.
Als overheden maar geld kunnen bijdrukken zonder dat je de zekerheid hebt dat ze al dit geld kunnen uitbetalen in wezenlijke waarde, daalt het vertrouwen in geld en in overheid en dit veroorzaakt economische teruggang. Simpel weergegeven, ik ben geen econoom maar ik weet wel wat geld is en wat papier.

“De hele economie wordt bepaald door de ‘grote jongens’” zei Hubert. “Zij trekken aan de touwtjes. Zij bepalen of de rente stijgt of daalt. Het kapitaal, niet de overheden.”
Hubert was bezig geheel onafhankelijk te worden. Hij voorzag, dat op niet al te lange termijn de hele poppenkast afgelopen zou zijn. “Wat denk je dat er gebeurt als de rente opeens stijgt? Binnen een dag zijn alle winkels leeg.
Ik zorg dat ik alles zelf in de hand heb. Heb je wel eens brood gebakken?” Ja dat had ik.
“Oké. Waar haal je het meel vandaan? En gist? Ken je het hele proces vanaf het eerste graankorreltje?” Nee, dat werd al moeilijker, ik gaf het volmondig toe.

“Kun je je eigen kleding maken?” Nee, waarom zou ik. Maar ik snapte waar hij heen wilde. En van binnen wist ik, dat hij gelijk had. We zijn afhankelijk geworden. Op een dag zouden we wellicht weer voor onszelf moeten zorgen, zoals onze voorouders dat gedaan hadden. Zoals we alleen nog in oude boekjes lezen, waar ouderwetse mensen ’s morgens, wanneer ze uit hun bedstee komen, zich wassen aan de pomp en eerst het fornuis aanmaken met hout alvorens ze hun pap kunnen bereiden.
Zoals nog gebeurt in achteraf-dorpjes in Frankrijk, waar we zo aardig foto’s van nemen tijdens de vakantie, of in achterlijke gebieden ver weg in Rusland, of stroomloze dorpjes in India of Afrika.
Waar mensen in elk geval wèl weten waar melk vandaan komt, hoe je een varken slacht en wanneer je rogge moet zaaien.

Af en toe ging hij naar Amsterdam. Dan kocht hij zilver. “Geen goud!” waarschuwde hij. “Zilver, kleine coupures. Dat blijft waardevast en is gemakkelijker met betalen. Want het zal niet lang duren of de economie stort helemaal in en dan kun je niks meer met je euro’s. Dan koop je voor een klein beetje zilver een hele boerderij!”

Hubert keek nooit naar het journaal en las geen kranten, en toch was hij prima op de hoogte van alles. Beter nog dan de gemiddelde Nederlander. Daar kwam bij dat hij ook nog redelijk kon voorzien, hoe ‘de hazen zouden lopen’. Een soort ‘trendwatcher, maar dan eentje die dichter op het gelijk zit dan zij die er hun beroep van maken. Dat zijn slechts cabaretiers die de mensen vermaken met toekomstvoorspellingen.
“Nieuwsuitzendingen en kranten lopen altijd achter en daarbij, ze vertellen alleen maar wat ze wordt opgedragen.” Elke dag keek hij een paar uur, via YouTube, naar mensen die zich hadden verdiept in economie, zaken, de grote bedrijven, gebeurtenissen en ontwikkelingen. Mensen die als het ware ‘achter de schermen’ kunnen kijken. Mensen die hun kennis gebruiken om te waarschuwen. Hij noemde namen als Max Keiser, Gerald Celente, Jim Willie, Bix Weir, Gregory Mannarino, Alexander Jones, Lindsey Williams, James Turk, prof. dr. Hans Bocker en Peter Schiff.
Stuk voor stuk deskundige mensen die waarschuwen voor financiële debacles en economische valkuilen. In elk geval mensen die meer inzicht en ervaring hebben dan de aan het pluche gekleefde bewindslieden die denken dat ze weten wat de mensen in het land willen of nodig hebben.

Ik geef geen oordeel (behoudens die opmerking over bewindslieden). Ik geef het enkel door. Laat iedere lezer bepalen wat de moeite waard is. Want ongeacht wat we zelf vinden of verwachten, het zou kunnen, het zou zomaar kunnen, dat Hubert gelijk heeft. Dan is het beter dat we niet onvoorbereid zijn. Want ‘rustig slapen’ zoals Colijn adviseerde, is geen zinvol advies.

Ik ben wel benieuwd naar ervaringen…..

Advertenties