Dieselmotor

diesel boterDe dieselmotor is goed voor het milieu. Ondanks alle tegenwind en beweringen over uitstoot. Al wil men in sommigen steden het liefste oude diesels weren uit de binnenstad. De trouwe dieselmotor kampt – met name in Nederland – met een slecht imago en komt daar moeilijk vanaf.

Een diesel verbruikt minder brandstof dan benzine. Gemiddeld haal je 1 op 18 met een middelgrote auto. Een stuk zuiniger dan een benzine die gemiddeld 1 op 13 haalt. Dit komt onder meer doordat een dieselmotor bij lage toeren veel kracht kan leveren. Een laag toerental resulteert in een laag brandstofverbruik.
Benzine en diesel ontlopen elkaar niet als het gaat om milieu(on)vriendelijkheid. Uit het jaarlijkse Ecotest-onderzoek van de ANWB (in samenwerking met de Duitse zusterclub ADAC) blijkt dat benzineauto’s iets beter scoren bij de uitstoot van fijnstof, maar de diesels doen het weer beter bij de uitstoot van CO2.…
Zeker de moderne dieselmotoren, waarbij door sterk verbeterde hogedruk-giettechnieken en verbeterde koelingstechnieken ook aluminium gebruikt wordt in plaats van gietijzer (aluminium heeft een dichtheid van 2,7 g/cm3, gietijzer komt op 7,2 g/cm3), zijn milieuvriendelijk.

De dieselmotor is zelfs uitgevonden als milieuvriendelijk initiatief. Rudolf Diesel was in meer dan één opzicht een visionair. Op de Internationale Tentoonstelling in Parijs van 1912 voorspelde hij dat “dieselmotoren kunnen draaien op plantaardige olie en zodoende een bijdrage kunnen leveren voor de ontwikkeling van de landbouw in landen waar die gewassen worden geteeld.”
“Op dit ogenblik “ zo stelde Diesel “stelt het gebruik van plantaardige oliën weinig voor. Op termijn kunnen dergelijke producten even belangrijk worden als petroleum en koolteer op dit ogenblik.”
Na experimenten met poederkool, pindaolie en dierlijk vet bleek de Dieselmotor het beste te draaien op petroleum en later op een speciaal ontwikkeld aardolieraffinaat, dat dieselolie genoemd zou worden. De motor werd later dankzij de ontwikkeling van de inspuitpomp door Robert Bosch vooral een succes voor de zwaardere vervoermiddelen.

Aanvankelijk werden de motoren dus niet gebruikt voor de aandrijving van voertuigen, maar voor zogenaamd stationair gebruik (bijvoorbeeld de aandrijving van machines in een fabriek), dit heet ook wel industriemotor.
Pas in 1915 werd een dieselmotor ingebouwd in een MAN vrachtwagen, waarna Mercedes-Benz vlak voor de Tweede Wereldoorlog de eerste Diesel-personenauto presenteerde.

sociaal filosoof
Rudolf Diesel was niet alleen een knap ingenieur, hij was tevens een filosoof, een romanticus, een begaafd pianist, een zeer kunstzinnig en sociaal bewogen mens. Hij waarschuwde in zijn tijd al voor het grote gevaar van luchtvervuiling. Hij noemde zichzelf een “sociaal filosoof” en was van mening dat elk bedrijf eigendom behoorde te zijn van de werknemers. Hij schreef daarover een boek met als titel SOLIDARITEIT. (Dat werd overigens geen succes; hij verkocht slechts 200 exemplaren.)

Diesel was gedreven door een ideaal, dat al ontstond toen hij de colleges van professor Linde volgde aan de technische hogeschool in München, het befaamde Münchener Polytechnicum, waar hij in 1880 afstudeerde. Professor Linde doceerde thermodynamica en hamerde er voortdurend op dat het rendement van de bestaande stoommachines amper 10% was, en dat dus 90% van de energie zonder meer verloren ging.
Rond 1885 was Diesel van plan om een motor met een veel hoger rendement dan de stoommachine te ontwikkelen. Hij had het idee om lucht tot een dusdanig hoge druk te comprimeren dat in die gecomprimeerde en daardoor zeer hete lucht ingespoten brandstof tot ontbranding zou komen, zonder ontstekingsmechanisme. Dit leidde tot een eerste patent in 1892 en een volwaardige, nieuwe verbrandingsmotor in 1897.
De Gentse firma Carels verwierf in 1894 als eerste ter wereld een licentie voor de bouw van dieselmotoren.

Diesel was niet de eerste die een dergelijke motor realiseerde. In 1890 kreeg ene Herbert Akroyd Stuart patent op zijn gloeikopmotor – tussen 1891 en 1905 werden er ruim 32.000 geproduceerd – en die liep overal op, maakte niet uit of het nu petroleum was, schapenvet, afgewerkte smeerolie, raapolie of ranzig geworden roomboter. Milieuvriendelijker jawel, maar Diesels motor had een vijf maal hogere compressie en een ruim vier maal hoger rendement.
De gloeikopmotor was in feite een tussenfase tussen de gas- en benzinemotor, die een vonkontsteking nodig hadden, en de motor die Rudolf Diesel bedacht.

Verschillende machinefabrieken stonden in de rij om Diesels motor in productie te nemen, waaronder de Maschinenfabrik Augsburg A.G. die in 1908 door een fusie zou uitgroeien tot de Maschinenfabrik Augsburg-Nürnberg A.G. ofwel M.A.N. Ook Krupp en Sulzer stonden te trappelen van ongeduld en al die lieden waren ook bereid om Rudolf Diesel geld te betalen terwijl er nog steeds geen productierijpe motor was.
De Amerikaanse brouwer Adolphus Busch uit St. Louis was de eerste commerciële gebruiker van de dieselmotor. Hij betaalde Diesel een miljoen mark voor de licentierechten. Toch zat er in de verkoop van de motoren geen schot. In Amerika werd veel geld verdiend en de olie was spotgoedkoop, met als gevolg dat niemand geïnteresseerd was in een motor die een veel hoger rendement zou hebben dan een stoommachine.
Later ging dat beter en in 1910 werd de Busch-Sulzer Bros. Diesel Engine Company gesticht. Toch duurde het nog tot de Eerste Wereldoorlog voordat er leven in de zaak kwam. Busch-Sulzer kreeg toen van het toenmalige War Department opdracht om dieselmotoren te bouwen voor Amerikaanse onderzeeboten.
Dat maakte Rudolf Diesel niet meer mee. Hij verdronk in de nacht van 29 op 30 september 1913, 55 jaar oud.

Advertenties