Helpt elkaar helpen

albert-schweitzer-540x540

“Eindelijk een groot mens in deze tragische eeuw!” Dat zei Albert Einstein toen hij hem leerde kennen.
Er was eens een professor aan de Universiteit van Straatsburg. Hij was doctor in de filosofie, doctor in de theologie, doctor in de medicijnen; hij was de grootste Bach-kenner van zijn tijd, één van de beroemdste organisten van Europa, hij had diverse standaardwerken over ethiek en cultuur op zijn naam staan. En op een dag vertrok hij naar Afrika om daar zieke negers te genezen.

Dit jaar is het honderd jaar geleden dat Albert Schweitzer in Afrika aankwam. Het was op 18 april 1913 dat hij de Ogowe opvoer en in Lambarene aan land ging om daar zijn oerwoudhospitaal te beginnen. Boeiend? Ja! Wat uit zijn leven en denken is gekomen, is dat soort inspiratie die een generatie kan bezielen. Wat maakte dit ‘Universalgenie’ tot de legendarische weldoener die de Nobelprijs voor de Vrede ontving in 1952?
 
Is het zijn zelfopofferende werk dat ons aanspreekt? Dat hij deed waarvan wij alleen maar dromen? Is het zijn persoonlijkheid? Wie daarop een antwoord zoekt, verdiepe zich in het leven van de man bij wie ‘eerbied voor het leven’ leidend was bij alles wat hij deed.
Allereerst deed Schweitzer wat hij vond dat hij moest doen. Schweitzer was niet alleen arts, hij was allereerst cultuurfilosoof, ethicus, musicus en theoloog. Vanaf zijn vroegste jeugd stond ‘eerbied voor het leven’ bij hem centraal. Dit kwam voort uit een mededogen dat hij zelf formuleerde als “ik ben leven dat wil leven temidden van leven dat wil leven”.
 
Schweitzer volgde aanvankelijk een studie tot predikant, maar werd vanwege zijn vrijzinnige gedachten door de zendingsgenootschappen ongeschikt geacht voor zendingswerk. Omdat hij het met zichzelf in 1896 – hij was toen 21 – eens was geworden om tot zijn dertigste levensjaar voor de kunst en de wetenschap te leven en zich daarna te wijden aan een rechtstreekse dienst van de medemens, begon hij, om toch naar Afrika te kunnen gaan, aan een zevenjarige opleiding tot arts.

Waarom Afrika? Bij zijn voornemen tot dienst aan zijn medemens was hem nog niet duidelijk waaruit die dienst zou bestaan.
“Ik liet het aan de omstandigheden over mij de weg te wijzen. Een ding slechts stond vast: dat het een volmaakt menselijk dienen zou moeten zijn, hoe onopvallend ook.”
Omstreeks 1904, kort voor zijn 30e, kreeg hij van een vriend een maandblaadje van het parijse zendingsgenootschap. De kop van een artikeltje trok zijn aandacht: Les besoins de la mission de Congo – wat de zending in Kongo nodig heeft. Wat dan wel? Mensen! Daaraan was vooral in de Gabon, die uitgestrekte provincie van de Franse Kongo, gebrek. Mensen, zei het artikel, mensen die op een wenk van de Meester eenvoudig antwoorden: Heer, ik kom, – die heeft de kerk nodig.
Voor Albert was het duidelijk, hij hoefde niet meer te zoeken. Maar het zou nog negen jaar duren eer hij daar, aan de zoom van het oerwoud, voet aan wal zou zetten.

Het was niet alleen zijn visie op het leven en zijn handelen uit de overtuiging om te doen wat hij moest doen. Het was ook zijn wezen, zijn uitstraling, die hem maakte tot méér dan leven tussen ander leven.
Een treffend voorbeeld daarvan vinden we in 1917, toen hij, als alle ‘vijanden’ van Frankrijk, als geboren Duitser, vanuit Frans Equatoriaal Afrika naar St. Rémy in de Provence werd overgebracht, waar een abdij uit de 12de eeuw, die van St. Paul de Mausole, dienst deed als als gevangenkamp. Hetzelfde gebouw dat 28 jaar eerder als krankzinnigengesticht Vincent van Gogh een jaar had geherbergd.
Het ergste was niet het gevangenkamp-regime, maar de vijandschap van de anders zo goedmoedige bevolking, die geen onderscheid maakte tussen Elzassers en Duitsers en die de gevangenen, wanneer zij onder geleide buiten het kloosterkamp liepen, bespuwden, bespotten, hoonden en uitscholden. Ook Schweitzer viel die bejegening ten deel…
 
Een vrouw uit St.-Rémy, Marie Mauron, heeft jaren later haar ontroerende herinneringen aan Schweitzers gevangenschap opgetekend, mede doordat de dokter in die tijd, als noodgedwongen vervanger van de oude dokter ter plaatse, haar moeder, die nekkramp had, het leven redde en waardoor hij voor geen mens in St.-Rémy nog de ‘vijand’ was.
”Nauwelijks hadden zij een paar stappen buiten het kamp gezet of langs de hele weg van Saint-Paul naar het dorp en in alle straten klonk een geschreeuw, dat hen overal vergezellen zou: “Boches, vuile Boches! Rapalje! Spionnen! Uitvreters! Lafaards! Jullie zitten hier maar veilig, terwijl onze jongens zich kunnen laten doodschieten!” Ze spuwden op de grond, ze balden hun vuisten wanneer die Boches voorbijkwamen…. Samen met die andere Elzasser, dokter Schwob, bleef Schweitzer aan die wandelingen deelnemen… Het beeld van die twee mannen is voorgoed in onze herinnering gebleven… ze zwegen onderweg, omdat dokter Schwob, die alleen maar Duits sprak, liever niets zei… Schweitzer liep met grote stappen naast hem, hij was een stuk groter. Doof voor het geschreeuw, blind voor al die vijandige gebaren, liep hij daar, zijn gezicht stralend van goedheid, iedereen groetend – niet ostentatief maar heel menselijk – die hen beledigde of naar hen spuwde. En door die blik vol goedheid, door die eenvoud, door die superioriteit die er van hem uitging, bracht hij de haat tot bedaren, zoals olie de kokende golven.”

broederschap
“Ik geloof, dat de staat alleen alle humanitaire problemen nooit kan oplossen. De staat kan slechts zoveel artsen naar de koloniën zenden als hij ter beschikking heeft. Maar wij moeten artsen hebben, die vrijwillig naar de kleurlingen gaan en op hun eenzame post het zware leven, het slechte klimaat, met alle ontberingen, welke het verblijf ver van de beschaving nu eenmaal meebrengt, aanvaarden… Degenen, die aan den lijve hebben ervaren wat vrees en lichamelijke pijn betekenen, vormen een broederschap, die zich over de hele aarde uitstrekt. Een geheimzinnige band houdt hen bijeen. Zij zijn allen ingewijd in het lijden dat de mens kan treffen, zij kennen allen het heftige verlangen van pijn bevrijd te zijn. Wie verlost is van zijn pijn mag niet denken, dat hij nu weer vrij is en even onbevangen als vroeger kan deelnemen aan het gewone leven. Nu hij pijn en vrees heeft gekend, moet hij meehelpen de pijn en de vrees te bestrijden, voor zover de mens daartoe in staat is, en anderen de verlossing te brengen, omdat hijzelf is verlost.”

In de wereld is er naast scheppingskracht ook vernietigingswil, opoffering en zelfhandhaving. Alles wat zich richt op ondergang, tegenwerking en vernietiging, is een zinloze kracht. Alles daarentegen wat opbouwend, helpend en bevorderend is, beantwoordt aan het doel van het leven.

Schweitzer zette zich in voor wereldvrede, waarschuwde tegen de wapenwedloop en atoomgebruik en correspondeerde met talloze regeringsleiders. Hij reisde diverse malen naar Europa voor lezingen, orgelconcerten, eredoctoraten, maar voelde zich het gelukkigst in ‘zijn’ hospitaal. Een wereldberoemd man, volgens tallozen de grootste van zijn tijd, in zijn houten vertrekje in het houten doktershuis aan de Ogowe; een vertrek met een veldbed en een primitieve schrijftafel en in de hoek de oude tropenpiano, in een andere hoek zijn lievelingsantilope die zijn kamer deelt.
 
Wat Albert Schweitzer deed in Gabon en wat alleen weggelegd lijkt voor ondernemende avonturiers, ligt ook in ons vermogen. Hij is niet veel anders dan ieder mens dat van goede wil is. Wie in zijn eigen kring doet wat op zijn pad komt en dit naar beste vermogen doet, met eerbied en respect voor het leven, is een zelfde weldoener als de man die vanuit het oerwoud in Gabon deed wat hij moest doen en de wereld nog steeds tot voorbeeld strekt.

Advertenties