‘Give peace a chance’

Premier Mark Rutte geeft gelukkig blijk van enig historisch besef:  Rutte herinnerde aan Hugo Grotius (1583-1645), de Nederlandse jurist die de grondlegger was van het moderne volkenrecht. Zo ontstond een traditie waarin Nederland eeuwenlang hechtte aan ''stabiele internationale juridische orde''.  Jammer dat Rutte het daarna compleet verknoeit door niet te wijzen op de veiligheid en juridische rechtvaardigheid die Hugo de Groot beoogde, maar door hebzuchtig te stellen: “Zeker als handelsnatie is Nederland ervan doordrongen dat investeerders de veiligheid nodig hebben die internationale rechtszekerheid met zich mee brengt.” Jammer, jammer.

Premier Mark Rutte geeft gelukkig blijk van enig historisch besef:
Rutte herinnerde aan Hugo Grotius (1583-1645), de Nederlandse jurist die de grondlegger was van het moderne volkenrecht. Zo ontstond een traditie waarin Nederland eeuwenlang hechtte aan ”stabiele internationale juridische orde”.
Jammer dat Rutte het daarna compleet verknoeit door niet te wijzen op de veiligheid en juridische rechtvaardigheid die Hugo de Groot beoogde, maar door hebzuchtig te stellen: “Zeker als handelsnatie is Nederland ervan doordrongen dat investeerders de veiligheid nodig hebben die internationale rechtszekerheid met zich mee brengt.” Jammer, jammer.

“Ban Ki-moon heeft woensdag tijdens de viering van het 100-jarige bestaan van het Vredespaleis, het belang van het hof in de internationale geschiedenis van het recht onderstreept.
In 1899 kwamen de grondleggers van het Vredespaleis bijeen, zo stelde de VN-secretaris-generaal, om een vicieuze cirkel van bloedvergieten te doorbreken. Zij keken naar het recht als de weg om vrede in de wereld te bereiken.”

Dat is mooi. Het jubileum van het Vredespaleis gaat niet ongemerkt voorbij. Het symbool van internationale vrede, zoals in 1900 beoogd door de russische diplomaat Friedrich Martens en de amerikaanse diplomaat Andrew Dickson White, moest onderdak bieden aan het Permanent Hof van Arbitrage, dat opgericht was tijdens de eerste Vredesconferentie van Den Haag in 1899.
White nam hierover contact op met zijn vriend Andrew Carnegie, die anderhalfmiljoen dollar schonk (toen vergelijkbaar met 3,7 miljoen gulden).
Ban Ki-moon zit er dus een klein beetje naast, want in 1899 werd dus dat permanente Hof opgericht en een jaar later werd bedacht dat dit in een gebouw kon worden ondergebracht waaraan alle staten een bijdrage zouden leveren. Een kniesoor echter die daar op let.

Het Vredespaleis was in 1913 klaar om het Permanente Hof van Arbitrage (PCA) te huisvesten. Het PCA (en het Internationaal Gerechtshof, dat ook in het Vredespaleis gevestigd is) beslecht juridische geschillen tussen staten. Dat een jaar later de eerste wereldoorlog uitbrak, is bittere ironie.
Met het Joegoslavië-Tribunaal kwam het eerste van een reeks internationale hoven naar Den Haag waar oorlogsmisdadigers worden berecht. Mensen die gruweldaden overwegen, denken nu wel twee keer na, aldus Ban, want hen hangt een dreiging boven het hof: ”Je zult eindigen in Den Haag.”

(Lees die zin nu nog eens: Mensen die gruweldaden overwegen, denken nu wel twee keer na, want hen hangt een dreiging boven het hof: ”Je zult eindigen in Den Haag.” Wanneer iemand een gruweldaad overweegt (?), zou hij het dan laten omdat hij mogelijk in Den Haag eindigt?
(Ik ken politici die er alles aan doen om in Den Haag te eindigen.))

In zijn toespraak haalde Ban de britse popmusicus John Lennon aan met diens legendarische woorden: ”Give peace a chance.”
Dat vind ik jammer. Het is een alleszins lovenswaardig motto. Niemand die er niet achter kan staan. En toch zegt het niets. Het is te vrijblijvend. Iedereen zegt ‘Ja, ja!” maar er gebeurt niets.
We worden niet persoonlijk aangesproken. En dan verandert er niets, het blijft een mooie wens en een loffelijk streven.
Had Ban Ki-moon nu Albert Schweitzer aangehaald, dan had hij ‘gescoord’. Albert Schweitzer, die in 1953 de Nobelprijs voor de Vrede ontving, stelde dat ieder mens een morele verantwoordelijkheid heeft tegenover de ander. En niet alleen tegenover ieder ander mens, maar ten opzichte van alle leven.

“Het raadsel van het leven,” stelde Schweitzer, “is alleen metterdaad op te lossen, door de morele mens die zich op zijn verhouding tot de wezens om zich heen bezint, de wezens om ons heen, wij en zij blijken door dezelfde vreugden en droefenissen bezield….. Respecteer die, leef erin mee, kwaad is wat het leven schendt en vernietigt. Onze zedelijke verantwoording strekt zich tot alle wezens uit. Alle leven heeft waarde in zichzelf; baseer uw moraal op eerbied voor dat leven. Zie af van een makkelijk, een niets-ontziend, een lichtzinnig leven, dan veranderen mensheid en wereld, dan komen wij tot de ware beschaving en tot die vrede waaraan die beschaving ten grondslag ligt.”

Schweitzer komt tot de kern wanneer hij stelt: “Wij zijn opgeroepen tot zelfstandig denken, tot verantwoordelijkheid voor elkaar en tot ethisch handelen. Wij hebben overal gelegenheid onze menselijkheid te tonen, als wij dat wérkelijk willen. De voornaamste plicht van de mens is: steeds menselijker te worden.”
“Ik ben er van overtuigd dat de idee van ‘eerbied voor het leven’ zal bijdragen tot de groei van een geestelijke en morele beschaving, waarvan de vrede en de toekomst van het mensdom zullen afhangen.”

“Als het ‘ja’-zeggen tegen het leven echt is, zal het van allen eisen, dat zij een deel van hun eigen leven aan anderen offeren.”
Schweitzer maakte de gedachte van het offer tot ethisch principe. Net als bij Gandhi ligt zijn kracht in het vermogen om afstand te doen. Omdat Schweitzer in staat is geweest een identificatie met andere mensen te gevoelen in de diepste grond, heeft hij een grotere macht uitgeoefend dan duizenden gewapenden in de strijd.

Dàt had Ban Ki-moon moeten zeggen. Ik ben er van overtuigd dat hij dan mensen direct had aangesproken. Want ieder persoonlijk kan daar wat mee. Iedereen kan, hoe gering ook, daaraan bijdragen.

Advertenties