Ontwaken

groen-gras-en-gele-zonOp een dag besefte Bobbie dat er een moment zou komen dat hij er niet meer zou zijn. Kortweg: dat hij dood zou gaan. Dit besef kwam als de figuurlijke donderslag bij heldere hemel. Hij zag opeens dat alles wat hij deed, ooit voorbij zou zijn en dat hij dan nooit meer dit of dat zou doen. Afgelopen met het vrolijk ravotten in het gras, met het achterna zitten van een vlieg of het in de weer zijn met stokken en balletjes.
Vanaf dat ogenblik at hij geen kluifje meer zonder de gedachte dat het zijn laatste kon zijn. Elk bakje met brokken betekende niet langer een lekker maal, maar een noodzakelijk werk om zijn sterfelijk lichaampje in stand te houden.
Deze wetenschap plaatste hem op gelijk niveau met zijn baasje. Bobbie had besef gekregen van zijn eindigheid en daarmee van het tijdelijke van zijn bestaan.

Dit filosofische inzicht leerde hem bewuster te leven. Soms kon hij minutenlang naar zijn baasje kijken. Aanvankelijk met de wetenschap dat het baasje op een dag zonder hem zou wandelen. Later daagde ook het besef dat het baasje er ook op een dag niet meer zou zijn.
Op een nacht schrok hij wakker. Stel je nu eens voor, flitste het door hem heen, dat het baasje eerder dan hij zou doodgaan. Wie zou er dan nog met hem wandelen? Eigenlijk kon hij zich geen leven voorstellen zonder zijn baasje. Hij kon bedenken dat hij zelf zou voorbijgaan, maar het baasje….. En toch scheen het te kunnen, al kon hij het niet verklaren.
Vanaf dat moment begon Bobbie te grommen wanneer het baasje de klok opwond, want op een of andere manier verbond hij de klok met de dagelijkse gebeurtenissen.

Nooit eerder had Bobbie zich gestoord aan het slaan van de klok, maar nu gebeurde het dat hij er ’s nachts wakker door werd. Dan sloop hij door het donkere huis de trap op tot voor de slaapkamerdeur waar het baasje lag. Daar bleef hij luisteren naar diens ademhaling en dommelde hij langzaam weer in.
Het was diezelfde klok die echter het baasje wekte en dat was toch weer iets om vrolijk van te zijn.

Nu Bobbie eenmaal wist dat zijn leven eindig was, begon hij ook na te denken over zijn jeugd. Vaag kwam het beeld van zijn moeder bij hem boven. Ja hij had een moeder, maar waar was zij gebleven?
Als hij een moeder had, had zijn moeder dan ook een moeder? Dit was een ingewikkelde kwestie. Hij vergat te eten en ging buiten in de zon liggen. Al piekerend sufte hij in slaap en het duurde niet lang of hij droomde dat hij in het gras liep. Het was hoog gras en het kriebelde in zijn neus. Hij liep een hele tijd en het leek alsof er geen einde aan kwam. Plotseling stond hij aan de rand van het water. Het zonlicht schitterde op het oppervlak en deed pijn aan zijn ogen. Hij schudde zijn kop. Hij blafte eens, maar er was geen geluid. Toch echode zijn blaffen lang na. Verwonderd keek hij rond.

Vlakbij zag hij een hond. Een hond zoals hij. Hij kwispelde blij, want de hond keek net als hij. Toen zag hij verderop nog een hond. En nog een. Hij zag een eindeloze rij honden zoals hijzelf, wit, bruin, met vlekken, met pluimstaarten, allemaal anders en toch net als hijzelf. Zover hij kon kijken, zag hij zichzelf maar steeds weer anders. Hij blafte weer, maar het geluid kwam uit al die honden die hij zag.
Hij dacht dat iemand hem riep en keek om. Hij zag niemand en toch had iemand geroepen. Achter hem voelde hij zichzelf, zwakker aanwezig dan hij, maar onmiskenbaar. De honden die hij voor zich had gezien, zag hij ook achter zich. Achter hem werd ook geblaft en het geluid kwam uit hem. En echode verder door al die honden voor hem. In een oneindig concert blafte hij mee door de eeuwen en hij voelde zich als een geheel met de stroom honden om hem heen. Er was geen begin, er was geen einde. De glinsterende vlekken op het water weerklonken in zijn oren. Hij blafte en blafte, en hij blafte eeuwen ver weg. Elke blaf was maar een tel en toch klonk het oneindig en geluidloos. Hij was wakker en toch sliep hij. Was hij nog wel Bobbie?

Alle honden die hij voor en achter zich zag, waren als hij, hij was al die honden en zij waren hem. Hun blaf was zijn blaf. Hij was tienduizend jaar oud en morgen zou hij worden geboren. Nog nooit was hij zo blij geweest. Hij wist en wist niets. Hij zocht een stok en rende door het gras, in de wetenschap dat ergens een bak stond met brokken.

Advertenties