Neef

neefkuifjeMijn neef heeft een verantwoordelijke bestuursfunctie. Hij doet dat goed. Hij weet precies waar hij heen wil en het is eigenlijk standaard dat hij bijna dagelijks zijn gestelde doel bereikt. Van A naar B zonder al te veel omwegen. Hij is dan ook privé-chauffeur van een voormalig minister.

Nu heeft die bewindsman (ik kan uiteraard geen naam noemen, laten we hem voor het gemak ‘R’ noemen) nog steeds in Den Haag zijn invloed, dus ik stel me zo voor dat mijn neef (ik noem ook zijn naam niet om hem niet in verlegenheid te brengen) indirect wel iets in de melk te brokkelen heeft. Onderweg worden af en toe gesprekken gevoerd nietwaar?

Niet dat mijn neef daar zoveel behoefte aan heeft; hij stuurt liever in de door hemzelf uitgezochte bolide. Dat is een gegeven waaraan veel mensen voorbij gaan. Onlangs kopte Elsevier boven een artikel ‘Zo rijdt de macht’. De dienstauto’s van ministers, burgemeesters en commissarissen.
Conclusie: hoe groter de auto, hoe belangrijker de persoon. Wellicht ja, dat zal bepaald worden aan de hand van een budget, maar de uiteindelijke keuze ligt vaak bij de chauffeur. Want de macht rijdt niet zelf….

Toen mijn neef de nieuwe auto van R mocht uitzoeken, was hij daarin redelijk vrij. Dat resulteerde in een wagen waarin R prettig en representatief wordt vervoerd, maar waarin mijn neef als de eigenlijke vorst rijdt.
Ik heb er wel eens even ingezeten. Gewoon voor het idee. Morgen zit R hier weer. Ja het is een mooie wagen, zit lekker. Het meeste is aan mij niet besteed. Ook al heb ik zelf een heerlijkrijdende klassieke Mercedes, ik denk dat R de voorkeur geeft aan zijn comfortabele en van alle gemakken voorziene ….. eh auto. Ik noem het merk ook maar niet om mijn neef niet in verlegenheid te brengen.

Ik zit me dat wel eens voor te stellen, hoe dat onderweg gaat. Zitten ze samen in die wagen, draait mijn neef zich al rijdend omstandig om en zegt: “Je raadt NOOIT wat ik gisteren gedaan heb!”
Waarop hij dan allerlei dingen vertelt tot R verstoord van zijn stukken opkijkt en zegt “Jaja, rij nou maar door.”
Of pas deed hij een cursus waardoor hij nòg beter of veiliger kan rijden, en dat hij (mijn neef) zich dan omdraait, zegt “Je raadt nooit wat ik allemaal geleerd heb” en dan diverse stunts uithaalt waardoor de koffie tegen de ramen zit en alle papieren verspreid liggen en R dan onverstoorbaar zegt “Nou geweldig, rij nou maar door.”

Op dit moment heeft hij vakantie. Mijn neef. Twee weken. Ik vroeg “Stuurt R dan zelf?”
“Nee nee, hij heeft ook vakantie. Daarom heb ik vakantie.”
Zo gaat dat. Wellicht een idee voor de NS of de busmaatschappijen. Machinist of chauffeur met vakantie, iedereen met vakantie. Iets in me zegt dat het dan toch ergens fout gaat.

Mijn neef heeft dus vakantie en is twee weken naar Duitsland met zijn vriendin. Ik noem haar naam niet om mijn neef niet in verlegenheid te brengen. Niet dat hij thuis nog een vrouw heeft zitten die twee weken lang denkt “Hij blijft nou toch wel erg lang weg” en die dan dit stukje leest en er zo achterkomt dat mijn neef ofwel haar man hier-en-gunder met een vriendin in Duitsland zit en dat hij dus WAT HAAR BETREFT daar wel kan blijven, nee hoor, die vriendin is zijn vaste vriendin en dus zijn ze samen op vakantie. In hun eigen auto. Ook die heeft hij zelf uitgezocht.

Zij zit dan naast hem en af en toe rijdt zij. Als ìk met mijn neef meerijd, ga ik het liefst achterin zitten. Dat is hij zo gewend, denk ik dan en bovendien vind ik dat wel stoer. Ik vond ook dat ik pas hoefde uit te stappen wanneer hij het portier voor me opende, maar aangezien ik daardoor soms heel lang alleen in de auto moest zitten, doe ik dat niet meer. Trouwens, meestal mag ik toch niet achterin zitten. Vindt-ie niet gezellig.

“Ga je in een hotelletje?” (vraag me niet waarom het meestal een ‘hotelletje’ is en geen ‘hotel’, ik weet het niet). “Nee, we zoeken een ‘Zimmer frei’ “ (dan weer geen ‘Zimmertje’ nee). “Heb je nog tips?”
Nee ik had geen tips. Ha, ik ga hém tips geven. Hij vindt altijd leuke dingen, hij rijdt er zó naar toe. Zelfs in zijn vakantie.
“Wel een kaart sturen hè, net zoals wij altijd doen.”
“Wanneer heb ik dan van jou voor het laatst een kaart gekregen?”
“Is die niet aangekomen dan?”

Meestal stuurt hij leuke kaarten, vaker dan ik. Eén keer heb ik een onvergetelijke kaart gestuurd. We hadden het Kehlsteinhaus bezocht op de Obersalzberg, het Adelaarsnest van een voormalig duits staatshoofd. Van die historie was toen heel weinig terug te vinden om te voorkomen dat het een soort bedevaartsoord zou worden voor nare mensen die vinden dat toen alles beter was. Ik had op de kaart geschreven ‘het lijkt wel of ze hier het verleden willen wegmoffelen’.
Dat vond hij leuk. Er werd ook niemand in verlegenheid gebracht.

Advertenties