Omgekeerde tijd

tijdJoseph Luns zei ooit: “Ik heb een mooie toekomst achter de rug.” 
Mooie beeldspraak. Hij had een Aymara kunnen zijn. Een wát?

In Zuid-Amerika, in de Andes, leven de Aymara-indianen. Zij kennen een ander beeld van tijd dan andere volken. Zij stellen zich de toekomst voor ‘achter hun rug’ en het verleden vóór zich. Dat blijkt ook uit studie van de gebaren die hun spraak begeleiden.
Logisch eigenlijk: het verleden is iets dat bekend is, wat je kunt ‘zien’. De toekomst is nog komende.

Dit omgekeerde concept van tijd ontdekten wetenschappers rond 2005 na het intensief bestuderen van de Aymara-cultuur.
In alle culturen wordt de tijd ruimtelijk voorgesteld en alle talen ontlenen woorden voor tijd aan hun vocabulaire voor ruimte. Daarbij wordt de toekomst gesitueerd vóór en het verleden achter de spreker. Altijd gedacht dat dit universeel onder de mensheid is. De toekomst ligt vóór ons – de indiaanse groep lokaliseert deze denkbeeldige abstractie de andere kant op: met het verleden vooruit en de toekomst achter.

Het Aymara is een indiaanse taal die wordt gesproken in de Andes ten westen van Bolivia, het zuidoosten van Peru en het noorden van Chili. In het Aymara is nayra, wat zoveel betekent als oog, voorhoofd of zicht, ook het woord voor ‘verleden’. En qhipa – rug, achterkant – wordt ook gebruikt voor ‘toekomst’.

Aymara maken voortdurend onderscheid tussen wat binnen en wat buiten hun gezichtskring ligt. In hun tijdsbeeld loopt een scherpe scheidslijn tussen de ongeziene toekomst en het zichtbare heden en verleden. Daarom situeren Aymara verleden en toekomst respectievelijk in de zichtbare ruimte vóór en in de onzichtbare ruimte achter hen.

Amondawa
Maar ze zijn niet de enigen met een ander tijdsbesef. Ruim twee jaar terug ontdekten Britse taalonderzoekers dat de geïsoleerde Amazonestam Amondawa in hun taal geen begrippen heeft om tijd en leeftijd aan te duiden. De stamleden verwijzen nooit naar hun leeftijd, maar wel naar levensfasen. Concepten als ‘tijd’, ‘jaar’ of ‘maand’ kennen de Amondawastamleden niet.

De stamleden snappen natuurlijk wel dat gebeurtenissen na elkaar in de tijd plaatsvinden, maar in hun taal en cultuur bestaat tijd niet als een apart concept.
De Amondawa praten net als andere mensen over gebeurtenissen en opeenvolgende gebeurtenissen. Wat ze niet hebben in hun taal is een notie van tijd, onafhankelijk van gebeurtenissen die zich voordoen. Ze hebben geen woord waarmee ze tijd aanduiden als een concept waarbinnen gebeurtenissen plaatsvinden.

Opvallend is ook dat de Amondawa nooit verwijzen naar hun leeftijd. In plaats daarvan kiezen ze bij de start van een nieuwe levensfase een nieuwe naam. (Dat zal dan wel een periode zijn die je bewust ingaat (student, volwassene, huwelijk, nabestaande) en geen periode die je pas achteraf inschat als nieuwe levensfase.) Ook bestaan er in de taal van de stam geen uitdrukkingen waarin het begrip van verstrijkende tijd aan bewegingen door ruimte wordt gekoppeld. Zinnen als “Ik heb de hele nacht doorgewerkt” of “Dat staat te gebeuren” kennen ze niet.

De griekse filosoof Parmenidus had hier ook al over nagedacht. Wij stellen ‘als je iets kunt bedenken, is het uitvoerbaar’.
Het uitgangspunt van Parmenides is dat de rede leert dat je alleen een Zijn kunt denken, niet een niet-Zijn. Tegenover het Zijnde staat niets, dus ook niet het denken. “Denken en Zijn is één en hetzelfde.” Als iets gedacht wordt is het onmogelijk te zeggen dat het “niet is”.

Het Zijn is ruimtelijk; er is dus geen lege ruimte mogelijk, en bijgevolg ook geen beweging, want als een voorwerp zich ergens heen zou bewegen zou daar eerst lege ruimte (een niet-zijn) moeten zijn. Ook worden is uitgesloten: dat wat worden gaat, is tevoren nog niet. Alle verandering is maar schijn. Als men aan iets wat in de toekomst zal bestaan kan denken, dan moet het nu al in de geest bestaan. Als men zich iets uit het verleden kan herinneren, dan moet het in de geest aanwezig zijn op het moment van denken. Het werkelijk zijnde (Grieks: “eon”) ontstaat niet, verandert niet, gaat niet verloren, kent geen veelheid of verscheidenheid: het is één en ondeelbaar. Alles heeft kortom altijd bestaan, en niets verandert. Alles wat lijkt op verandering of beweging, vindt plaats binnen een gesloten systeem. Verandering en beweging maken deel uit van de dagelijkse ervaring (een dwaling), maar niet van het correcte denken dat zich richt op het ene, ondeelbare, onveranderlijke en eeuwige.

Parmenidus vond een medestander in Zeno (niet Valerio Zeno, maar Zeno van Elea). Deze Griek bedacht allerlei argumenten om diens uitspraken over de onmogelijkheid van verscheidenheid en verandering  te verdedigen. Beroemd is zijn uiteenzetting over de onmogelijkheid van beweging: tijd bestaat uit momenten, en die zijn elk de kleinste meetbare eenheid, en ondeelbaar. Een pijl is in beweging of in rust. Maar als een pijl beweegt zou hij aan het begin van een moment op een bepaalde plaats moeten zijn, en aan het eind van dat moment op een andere plaats. Maar dat betekent dat het moment deelbaar zou zijn, en dat is een moment per definitie niet. Daarom is de pijl altijd in rust.

Ook met deze wetenschap zou Joseph Luns zijn mening niet herzien.

Praktikale filosofie

Parmenides ontkende de beweging:

Diogenes, om hem te wederleggen,

Sprak niet één woord, maar rees van zijnen zetel,

En wandelde slechts voor hem heen en weder.

Doch filosoof Diogenes, op zijn beurt,

Verviel in dwaling tot het andere uiterst’,

En loogchende de rust: wat grooter dwaling!

Zoo hij nog leefde, mij de rust ontkende,

Ook ik zou zwijgend zijn systeem weerleggen:

Ik zou alleenlijk voor zijne oogen slapen.

 

O.C.F. Hoffham (1744-1799)

Advertenties