Bij God op tafel kijken.

Coelacanth

Iemand zei ooit tegen mij “Observeer mensen en je wordt wijzer.” Dat is wat ik deed.

“Honderd jaar geleden had geen astronoom nog van de oerknal gehoord. Dat de aarde ongeveer vijfmiljard jaar oud was, was uit geologische studies wel bekend. Maar de leeftijd van de zon en van andere sterren was een raadsel. Waren ze er altijd geweest? Hadden ze geen begin of einde, net zoals de kosmos zelf?”

De man aan de leestafel keek mij aan. “Alles heeft een begin en een einde,” zei hij. “U, ik, deze kop koffie, dit restaurant, de hele aarde. Het kan lang duren, maar aan alles komt een end.”
Hij had voorgelezen uit een artikel over de gloed van de oerknal, dat eind maart door het team van de Europese Plancksatelliet in kaart was gebracht.

“Weet u,” vervolgde hij, “het heelal dijt nog steeds uit. Kunt u zich dat voorstellen?” Nee, dat kon ik niet zo goed. Het is al zo immens groot dat we het ons niet kunnen verbeelden, laat staan dat het ook nog naar alle kanten verder groter wordt.
“Vroeger,” zei hij, alsof hij uit zijn jeugd verhaalde, “was alle materie zo compact samengeperst, dat er geen ruimte tussen de atomen was. Dat is raar hoor, want daarbuiten was ook geen ruimte. Toen het heelal met een klap begon, verspreidde het zich niet om een grotere leegte te vullen. De enige bestaande ruimte was de ruimte die het al doende schiep.”

“Volgt u me,” vroeg hij, terwijl hij een slokje van zijn inmiddels koude koffie nam. Zonder antwoord af te wachten klopte hij op zijn krant. Ik zag dat het de NRC was. “Dat uitdijen ging sneller dan het licht hoor. Dat moest ook wel, anders zou het licht de grenzen al bereikt hebben.”
Hij boog zich samenzweerderig naar me toe. Stelt u zich een sinaasappel voor. Als een bol water van die omvang vloeibaar is, houdt u die makkelijk in uw hand. Maar als dat water verdampt, dus wolk wordt, kan dat heel omvangrijk zijn. Hoe dunner de wolk, hoe groter de omvang. Diezelfde wolk kan ook weer een bol water worden. Zó wordt het heelal uiteindelijk ook weer steeds kleiner.”
Hij keek me triomfantelijk aan. “Maar dat maken wij niet meer mee hoor,” zei hij terwijl hij weer in zijn krant keek.

Het bleef een paar minuten stil. Op de achtergrond klonken restaurantgeluiden en in de keuken viel een bord aan scherven.
“Dit vind ik mooi,” zei hij opeens weer. “Ze hebben al eerder zo’n oerknalkaart gemaakt met kosmische achtergrondstraling. Dat is een geheimzinnige straling die in gelijke mate uit alle richtingen uit de kosmos komt en dat is de gloed van de oerknal. Het eerste licht dat 380.000 jaar na de oerknal door de kosmos reisde. En als je dat in kaart brengt…. kijk dat vind ik mooi wat hier staat, ‘als je religieus was, zou je zeggen dat je God in het gezicht keek’ zei Nobelprijswinnaar George Smoot in 1992.
Gelooft ú dat?”
“Ja ik geloof wel dat hij dat gezegd heeft.”
Even keek hij me onderzoekend aan. “Het allereerste begin, zo lang geleden en wij kunnen dat gewoon in beeld brengen. Voor de rest kunnen ze nog steeds niks met al hun kennis, hier, die hele krant staat vol problemen.” Hoofdschuddend vouwde hij de krant op, dronk resoluut zijn kopje leeg en stond op om aan de bar af te rekenen.

De frommelige krant op tafel staarde mij aan. Ik stond op om ‘m te pakken. Ik wilde het hele artikel lezen.
Planck-kaart 2013De ‘Planck-kaart’ bleek gebaseerd op temperatuurverschillen, die elk hun eigen kleur geven. Op de ‘warmere’ plekken zit net wat meer materie opeengepakt, beginnetjes van latere sterrenstelsels. En wat ik me nooit had gerealiseerd: die eerste materie was zo compact dat het geen licht doorliet. Pas toen de kosmos zo ver uitdijde dat de materie ijler en ijler werd, kon het licht vrij reizen.
Eigenlijk wordt de ruimte steeds leger met al die ruimte. Zo zou je zolder moeten zijn, steeds groter wordend zodat alle spullen wegvallen.

Toen las ik wat ik eigenlijk zocht. ‘Als je religieus was, zou je zeggen dat je God in het gezicht keek’. Ik moest denken aan een gedicht van Gerrit Achterberg. Die schreef ooit bijna hetzelfde. Terugkijkend in het verleden na het vinden van een fossiele vis stelde Achterberg dat we het omgekeerde ook kunnen doen. Kijken in de toekomst. Als een evolutie die nog steeds doorgaat en uiteindelijk – hopelijk – leidt tot onze perfectie.
Wellicht dat we dan de problemen kunnen oplossen die de krant verder vulden.
Er is niets nieuws onder de zon.

Ichthyologie

Er is een coelacanth gevonden,
de missing link tussen twee vissen in.
De vinder weende van verwondering.
Onder zijn ogen lag voor ’t eerst verbonden

de eeuwen onderbroken schakeling.
En allen die om deze vis heenstonden
voelden zich op dat ogenblik verslonden
door de miljoenen jaren achter hen.

Rangorde tussen mens en hagedis
en van de hagedis diep in de stof,
verder dan onze instrumenten reiken.

Bij dit besef mogen wij doen alsof
de reeks naar boven toe hetzelfde is
en kunnen zo bij God op tafel kijken.

Gerrit Achterberg (1905-1962)
uit: Cenotaaph (1953)

Advertenties